Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor hen, die diensten hebben bewezen, als sub b van het eerste lid van dit artikel bedoeld, wordt de pensioensgrondslag voor die diensten vastgesteld op het bedrag, dat voor den belanghebbende bij het verkrijgen van de hoedanigheid van ambtenaar als pensioensgrondslag wordt bepaald.

Artikel 51.

1. Bij de berekening van het pensioen van een ambtenaar worden vroegere diensten na het tijdstip van in werking treden dezer wet bewezen:

a. in kerkelijke betrekkingen;

b. in militaire betrekkingen;

c. in betrekkingen bij het Rijksloodswezen;

d. in betrekkingen als mindere geëmployeerde, werkman of bediende op daggeld, werkzaam bij inrichtingen van 's Rijks zee- of landmacht ('sRijks jachten en werkvaartuigen daar onder begrepen), of bij het Koloniaal Etablissement te Amsterdam;

e. in betrekkingen in de koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen en in die, welke hier te lande ten laste van de koloniale geldmiddelen zijn of zullen worden ingesteld;

met pensioen vergolden, voor zóóver die diensten in aanmerkingen zouden komen, indien den belanghebbende pensioen werd toegekend uit de betrekking, waarin die tijd is doorgebracht.

2. Voor de berekening wordt de betrokken ambtenaar geacht gedurende den tijd, waarin die betrekkingen na het in het eerste lid vermeld tijdstip zijn vervuld, pensioensgrondslagen in den zin van deze wet te hebben gehad.-

Deze pensioensgrondslagen worden, met inachtneming van de voorschriften van de artikelen 32, 33, 34 en 35 door den Pensioenraad vastgesteld op de bedragen, der gedurende de dienstvervulling in die betrekking genoten wedden. Be wijze, waarop zulks geschiedt, wordt bij Algemeenen Maatregel van Bestuur geregeld.

3. Voor consulaire ambtenaren komt de pensioensgrondslag voor zoover die heeft gegolden gedureude den tijd, niet met verlof doorgebracht binnen de keerkringen of op de bij Algemeenen Maatregel van Bestuur aangegeven posten voor 150 ten honderd in rekening.

Artikel 52.

Het pensioen bedraagt 3.5 ten honderd van de totaalsom der voor den betrokken ambtenaar gedurende diens ambtsvervulling, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, vastgestelde pensioensgrondslagen.

Artikel 53.

1. In het geval, omschreven in artikel 43 sub d wordt, nevens het op de evenomschreven wijze berekend pensioen toegekend eene schadeloosstelling.

Die schadeloosstelling bedraagt, indien de betrokken ambtenaar geheel buiten staat is om, door voor hem passenden arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien, het verschil tusschen het maximum-pensioen, dat hem, ingevolge het bepaalde bij artikel 55 zou kunnen worden toegekend en het evenbedoeld pensioen; in andere gevallen het drie vierde gedeelte, de helft of het éèn vierde gedeelte van dat verschil naar mate van den graad van geschiktheid van den betrokken ambtenaar, om door hem passenden arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien.

Artikel 54.

Vgl. art. 66, Wetsont 1. De schadeloosstelling, in het vorig artikel bedoeld, wordt werp I. toegekend voor een tijd van ten minste één en ten hoogste

vijf jaar. Ter bepaling, of na dien termijn de schadeloosstelling moet blijven toegekend en tot welk bedrag, wordt, krachtens

Sluiten