Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de bijzondere leeraren 1913 of art. 61 der Pensioenwet voor de gemeenteambtenaren 1913, hebben afgelegd, kunnen alsnog op den voet der artikelen 121—126 worden ingekocht.

Artt. 128—130 vervangt de artikelen 134, 135 en 138 van Wetsontwerp I.

Artikel 128.

1. Diensten vóór het tijdstip van in werking treden dezer wet bewezen:

a. in burgerlijke of daarmede gelijkgestelde betrekkingen in den zin der op het tijdstip van in werking treden dezer wet vervallende Burgerlijke Pensioenwet, zooals die op dat oogenblik luidde;

b. in gemeentelijke betrekkingen in den zin der op het tijdstip van in werking treden dezer wet vervallende „Pensioenwet voor de Gemeenteambtenaren 1913", zooals die op dat oogenblik luidde;

c. in betrekkingen als onderwijzer aan een openbare of bijzondere lagere school overeenkomstig de bepalingen der wet tot regeling van het Lager Onderwijs, zooals die op het tijdstip van in werking treden dezer wet luidde;

d. in betrekkingen als bijzondere leeraar, bedoeld in de op het tijdstip van in werking treden dezer wet vervallende „Pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913", zooals die op dat op dat oogenblik luidde;

e. in kerkelijke betrekkingen;

f. in militaire betrekkingen;

g. in betrekkingen bij het Rijksloodswezen;

h. in betrekkingen als minder geëmployeerde, werkman of bediende op daggeld werkzaam bij inrichtingen van 's Rijks Zee- of Landmacht ('s Rijks jachten en werkvaartuigen daaronder begrepen), of bij het Koloniaal Etablissement te Amsterdam;

i. in betrekkingen in de Koloniën en bezittingen van het Rijk in andere werelddeelen en in die, welke hiér te lande ten laste van de Koloniale geldmiddelen zijn of zullen worden ingesteld;

worden met pensioen vergolden, voor zoover — behoudens het bepaalde bij het tweede lid van dit artikel — de tijd in die betrekkingen doorgebracht, ingevolge de betrokken op het tijdstip der pensionneering geldende wettelijke voorschriften, als diensttijd zou meetellen, indien den belanghebbende pensioen werd toegekend uit de betrekking, waarin die tijd is vervuld.

2. Voor hen, die diensten hebben bewezen, als in het eerste lid van . dit artikel bedoeld, wordt, voor zoover zij op het tijdstip van in werking treden dezer wet en in den zin dier wet de hoedanigheid van ambtenaar hadden, dan ■ wel later op nieuw als ambtenaar in dienst treden, met toepassing van de tot het tijdstip van inwerking treden dezer wet gegolden hebbende wettelijke voorschriften, het bedrag vastgesteld van het pensioen, wanneer die diensten in geval van latere pensionneering zullen worden vergolden.

Artikel 129.

1. Voor ambtenaren, die op het tijdstip, waarop deze wet in werking treedt, reeds in dienst zijn en wien de, op het oogenblik onmiddellijk daaraan voorafgaande, nog geldende pensioensbepalingen uitzicht op pensioen gaven, wordt het, in het vorige artikel bedoelde bedrag, bepaald als volgt:

a. wanneer diensten zijn bewezen als bedoeld in het eerste lid van artikel 128, onder a, b, c, d en i, op dat van het pensioen, hetwelk zij naar de pensioensgrondslagen, die voor hen golden op het. tijdstip onmiddellijk of laatstelijk voorafgegaan aan dat van het in werking treden dezer wet,' naar reden van hun voor pensioen geldigen diensttijd, zouden hebben verkregen, indien hun pensioen ware verleend uit de betrekking, waarin die diensten werden vervuld;

Sluiten