Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstvoorwaarden voor telefoon, telegraaf en posterijen komt de betaling van een kwartaal traktement na het overlijden, voor.

De Voorzitter der Commissie doet opmerken, dat onder de tegenwoordige regeling de bijdragen over de eerste vier jaren, enz. gelijkstaan met een doorloopénde korting van ± 3 pet., en dat, om den -pensioenlast te dekken, 8 pet, noodig is, zoodat de Staat thans voor de eigen pensioenen ongeveer 2/3 gedeelte moet bijpassen. In een wetsontwerp van den gewezen Minister van Gijn, dat niet bij de Kamers ^ in behandeling is geweest, wordt dit uitvoerig medegedeeld. Spreker wil daarom aan de afgevaardigden der pensioenvereeniging de vraag stellen, of door die vereeniging globaal is berekend, wat de inwilliging harer wenschen aan den Staat zal kosten; hiermede houdt verband de wijze van dekking dier meerdere uitgaven. Spreker heeft hierbij het oog, niet-slechts op den wensch vanpremievrij pensioen, doch ook op de andere wenschen. Terecht heeft de heer Poppe er op gewezen, dat indien de pensioengerechtigde leeftijd wordt verlaagd, de ambtenaren langer van hun pensioen zullen kunnen genieten, doch de kosten voor den Staat zullen zoodoende ook zeer stijgen. Spreker meent, dat dergelijke ingrijpende voorstellen vergezeld behooren te gaan van eene globale berekening der kosten.

De heer van Schouwen deelt mede, tot zijn leedwezen zulk eene berekening niet te kunnen overleggen, de pensioenvereeniging bezit daartoe geene voldoende gegevens. Zulk eene berekening acht spreker het werk van wiskundigen, de pensioenvereeniging zal dit niet met eenige nauwkeurigheid kunnen doen. Spreker wijst overigens op het verband, dat te vinden is tusschen premievrij pensioen en de algemeene verhooging der salarissen, waartoe eene Staatscommissie is ingesteld.

De Vooezitter wil er den heer Poppe op wijzen, dat het inderdaad juist is, dat vele ambtenaren geene 40 dienstjaren halen. Vele ambtenaren, die betrekkingen bekleeden als genoemd in artikel 4, sub d, vragen echter hun ontslag niet. doch dit wordt hun vaak op 55-jarigen leeftijd verleend, de 55-jarige ouderdom is dikwijls voor de autoriteiten een middel, om ambtenaren hun ontslag te geven, die leeftijd is derhalve te beschouwen als een mes, dat aan beide kanten snijdt, Indien het instituut van den 55-jarigen leeftijd werd afgeschaft, zouden verschillende ontslagen niet zoo spoedig meer geschieden.

De heer Trip wijst op. hetzelfde gevaar, indien de voor pensioen gerechtigde leeftijd'van 65 jaar op 60 jaar wordt terugg-ebracht. Het zal z.i. de groote vraag zijn, of de ambtenaren in de praktijk met zoo'n leeftijdsverlaging tevreden zouden zijn. Aan de Departementen is de toestand thans zóó, dat de meeste ambtenaren als zij den 65-jarigen leeftijd hebben bereikt, bet bejammeren, dat zij den dienst moeten verlaten.

De Voorzitter is het geheel met den heer Trip 'eens, en wijst er op, dat toen indertijd door Minister Harte, van Tecklenbuhg voor de ontvangers der directe belastingen de pensioengerechtigde leeftijd op 65 jaar werd bepaald, in de Ilde Kamer krachtig werd beproefd dien leeftijd op 70 jaar vast te stellen.

De heer van Schouwen doet hiertegen opmerken, dat slechts enkele oudere ambtenaren dien 70-jarigen leeftijd wenschten, de broederschap der ontvangers was van eene andere opinie; wat de opmerkingen van den heer Trip aan- , gaat, gelooft spreker dat het Staatsbelang remmend zal werken.

De heer Poppe vestigt er de aandacht op, dat ambtenaren behoorende tot de categoriën, aan welke op 55-jarigen leeftijd recht op pensioen is toegekend, de vereischte 4*0 dienstjaren voor maximum pensioen niet kunnen behalen.

De heer Chivat doet opmerken, dat in eène bes^fetmrsvergadering der pensioens'vereeniging inderdaad gesproken is over het maken eèner berekening als door den voorzitter be-

Sluiten