Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

* VERGADERING

Tan de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 29 December 1917, 's morgens om 11| uur, in het gebouw van het Departement Tan Justitie.

Aanwezig zijn alle leden, uitgezonderd de heer Trip.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodïgd de Rijkspolitievereeniging, welke vereeniging dooi' drie harer bestuursleden is vertegenwoordigd.

De Voorzitter der vereeniging betuigt z'n dank voor de gelegenheid door de Staatscommissie aan zijne vereeniging gegeven, om de reeds schriftelijk ingediende wenschen nader mondeling te kunnen toelichten.

De Secretaris der vereeniging wijst er op, dat verschillende emolumenten, als woningtoelage, vrije kleeding en schoeisel voor de Rijkspolitieambtenaren niet of slechts ten deele in de pensioensgrondslagen worden opgenomen. Spreker acht dit zeer onbillijk, omdat dit voor de gemeentepolitie wel het geval is en de fiscus die emolumenten voor de te heffen belastingen wel in aanmerking brengt.

Spreker bepleit voorts den overgang van Rijksambtenaren naar particuliere betrekkingen te vergemakkelijken, door te bepalen, dat de, in 's Rijks dienst vervulde dienstjaren, waarvoor men voortdurend heeft bijgedragen, ook vóór het bereiken van den 55-jarigen leeftijd, voor de berekening van een pensioen in aanmerking zullen kunnen komen.

In de derde plaats verzoekt spreker-art. 7 der Burgerlijke Pensioenwet zóódanig te wijzigen, dat dit gelezen wordt als volgt: ,,het pensioen bedraagt voor elk jaar van den diensttijd 1/50 deel van het bedrag, dat de ambtenaar over het laatste dienstjaar tot pensioensgrondslag heeft gestrekt". Tengevolge der tegenwoordige redactie blijven de ambtenaren, na eene hoogere wedde te hebben ontvangen, hierop nog minstens 5 jaren doordienen om voor bun pensioen van den hoogeren grondslag te kunnen,profiteeren.

De 3de afgevaardigde der vereeniging vult dit alsnog aan. door er op te wijzen, dat zoodoende vaak ambtenaren in dienst blijven, die voor hun verantwoordelijk ambt ongeschikt zijn; practische dienst kan door ben veelal niet meer worden vervuld en zij vormen een struikelblok voor de promotie van anderen.

De Secretaris der vereeniging bepleit vervolgens verbooging van het maximum pensioen, door dit in plaats van op 2/s °P d/s van den gemiddelden pensioensgrondslag te bepalen; spreker wijst er op, dat, wanneer de rijkspolitieambtenaren eenmaal pensioen verworven hebben, zij lichamelijk weinig meer waard zijn, terwijl het bovendien voor deze categorie van ambtenaren, die gewoonlijk van het platteland komen, uiterst moeilijk is om bijbaantjes te verwerven.

Sluiten