Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gens de wenschelijkheid, dat de nieuwe wet eene omschrijving zal bevatten van het begrip „tijdelijke dienst", omdat het woordje „tijdelijk" voor verschillende opvattingen vatbaar is.

De heer Wesselingh wil de aandacht vestigen op eene veranderde uitlegging. Op eene vraag, aan den Minister van Financiën in 1913 gedaan, of de diensten, door ambtenaren krachtens eene voorloopige aanstelling bewezen, in aanmerking kwamen voor de pensioenberekening volgde een ontkenr nend antwoord. De kwestie was van veel belang, omdat in Amsterdam en b.v. Rotterdam eene verschillende methode door het al of niet verstrekken van aanstellingen werd ges volgd en de berekening der pensioenen daarvan vaak afhankelijk bleek. Inmiddels huldigt de tegenwoordige Minister van Financiën blijkbaar eene andere opvatting, aangezien aan de gemeentebesturen thans de beoordeeling wordt overgelaten, of een langdurige z.g. losse diensttijd als vaste diensttijd moet worden aangemerkt, heigeen vooral van groot belang is voor die werklieden, die tegen de feestdagen geregeld door de bedrijfshoofden werden ontslagen.

De heer Nuu, secretaris van de vereeniging „St. Paulus" vult het gesprokene aan, door er op te wijzen, dat art. 15 lid c van de pensioenwet G. A. '13 het groote struikelblok vormt en wel speciaal het woordje „na". In audiënties bij de Ministers Beb/tling en van Gijn werd medewerking tot wijziging verzocht, waarbij beide Ministers verklaarden, de onbillijkheid der bepaling in te zien. Door Minister Tkeub is nu eene bepaling gemaakt, dat ook de jaren vóór 1913 in gemeentelijken dienst doorgebracht, ingekocht zullen kunnen worden, een en ander ter beoordeeling van de gemeentebesturen. Dit laatste acht spreker eene fout, aangezien toch de gemeentebesturen niet belast zijn met de uitlegging der pensioenwetten en reeds slechte ondervinding van die zijd? werd opgedaan.

De heer Wesselingh zou voorts gaarne zien, dat voor de berekening der pensioenen in aanmerking kwam de pensioensgrondslag, zooals die over de laatste 12 maanden heeft gegolden, waarbij dan rekening behoort te worden gehouden met al datgene, wat als inkomsten voor de belanghebbenden kan worden beschouwd. De levensstandaard is toch ook gebaseerd op alle verdiensten tesamen.

Spreker zou voorts den 18-jarigen leeftijd bedoeld in art. 15a, der P. W. G. A. '13 teruggebracht willen zien op 14 jaar, tenzij eene bepaling tot stand zou komen, die inhield, dat men — om in gemeentelijken dienst te komen — den 18-jarigen leeftijd moet bereikt hebben. Thans maken de gemeenten gebruik van jeugdige krachten, die vóór het 18e jaar geene aanspraken op pensioen kunnen doen gelden.

De heer van Zelm zou wenschen, dat als pensioensgrondslag, die in aanmerking komt voor de pensioensberekening, altijd die werd genomen, die het hoogste loon representeert, dat door den belanghebbende in, z'n diensttijd werd genoten.

Door de heeren Nuu en Wesselingh wordt) vervolgens besproken het feit, dat de bepaling betreffende de categorieën, die op 55-jarigen leeftijd recht hebben op pensioen, zeer beperkt wordt uitgevoerd en dat de gemeenten dikwijls over middelen beschikken om Ministerieele beslissingen zonder uitwerking te laten. Zoo is het te Rotterdam voorgekomen, dat de straatmakershelpers, die tot genoemde rubriek behooren, van een anderen naam — opperman — werden voorzien, om die bepaling van den 55-jarigen leeftijd op hen niet meer van toepassing te doen zijn. Beter werd geacht om bepaalde groepen van ambtenaren vast te stellen, die op -vroegeren leeftijd recht zullen verkrijgen op pensioen,, om die groepen te bepalen naar den groepsarbeid en ze te laten opsommen door deskundige commissies, waarin de organisaties behooren te zijn vertegenwoordigd.

Bovendien schijnt het wenschelijk aan die groepen, die eerder z.g. „versleten" zijn, een hooger pensioen toe te kennen.

Sluiten