Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Zaterdag 19 Januari 1918, 's middags om 3 uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Aanwezig zijn alle leden, uitgezonderd met kennisgeving dr. Turksma.

Tot mondelinge toelichting van het adres in zake de pensioenwetgeving, ingezonden door Mr. Dr. Salverda de Grave c.s. te 's Gravenhage is verschenen de heer M. G. de Bloeme. Naar zijne meening is het pensioen thans te laag. De regel wordt meer en meer, dat men er op 65 jaar uit moet. Op zich zelf is die regel niet kwaad, maar het lage pensioen van hoogstens 2/3 van de wedde, maakt dat men bij pensionneering te veel achteruitgezet wordt en daardoor wordt het scheiden vergald. De tijd van weggaan is daarom voor bijna alle ambtenaren een schrikbeeld. Men kan daaraan reeds iets doen, door de jaren boven 40 ook te dóen meetellen. Spreker meent dat er geen enkele reden is om die jaren niet mede te rekenen. Het zou niet voor allen verschil maken, maar wel voor velen, o. a. bij de departementen en dgl., die op 18 of 20 jaar in dienst komen. Men denke ook aan de militaire jaren, die veelal zijn volbracht door personen bij Posterijen, telegrafie, belastingen enz.

Een tweede punt is het thans gestelde algemeene maximum van f 3000. Waarop berust dat? Voor de hooge ambtenaren is het uiterst onbillijk. Er is een al te groote marge tusschen wedde en pensioen, «die voor deze ambtenaren het pensioen dubbel hard maakt. Toen men indertijd dit maximum van f 3000 vaststelde, moge het voldoende zijn geacht, sedert geruimen tijd is door de veranderde waarde van het geld, f 3000 reeds niet redelijk meer. Eigenlijk is iedere dgl. grens verkeerd en ongemotiveerd. Wie f 5000, f 6000 of meer tractement heeft, kan bij terugzetting op f 3000 zonder eigen fortuin — hetgeen de overgroote meerderheid niet heeft — niet op betamelijke wijze in zijne behoeften voorzien. Spreker vreest niet, dat men, vervalt de grens, tot op hoogen leeftijd in dienst zal blijven. Tegen een sturen in die richting zal de algemeen doorgedrongen neiging om zelfs de meest krachtigen op 65 jaar den dienst te doen verlaten, wel waken. En men zal er gemakkelijker zelf uitgaan, als het pensioen hooger is.

Op een vraag van Prof. Suyllng of het feit, dat overal in den vreemde een dgl. algemeene grens is, er niet op wijst, dat er toch veel voor te zeggen is en of dit het niet waarschijnlijk maakt dat met het Vervallen er van niet betrekkelijk groote financieele offers gepaard zouden gaan, antwoordt de heer de Bloeme, dat hij dit laatste niet gelooft, wijl er betrekkelijk weinig boogbezoldigde ambten zijn. Daartegenover wordt echter op de groote gemeenten gewezen, met haar veelal hoogbezoldigde burgemeesters en bedrijfsdirecteuren.

De heer de Bloeme merkt nog op, dat de zaak urgent is, met het oog op hen, die eiken dag gepensionneerd worden. Hij gèeft echter toe, dat een afzonderlijk aan de orde stelling van dit punt wel op bezwaren zal stuiten.

Aldus goedgekeurd door den gehoorde:

Voorzitter,

Sluiten