Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i, VERGADERING

van de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenvrezen, on Vrijdag i Februari 1918, 's morgens om Ui uur, in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig met kennisgeving de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker. f^t'-i'

Tot het mondeling toelichten harer schriftelijke wenschen in zake het pensioenwezen is uitgenoodigd de vereeniging van inspecteurs der invoerrechten en accijnzen, welke vereeniging vertegenwoordigd is door den heer A. Volkmaars te Rotterdam. Deze wijst er op, dat in het dienstvak, hetwelk hij vertegenwoordigt, ambtenaren door bijzondere omstandigheden eerder ongeschikt zijn voor de verdere waarneming hunner betrekking dan in andere takken van dienst. Hiermede is in de bestaande pensioenwet wel is waar rekening gehouden, doordat aan sommigen der genoemde ambtenaren de gelegenheid werd geopend om op 55-jarigen leeftijd pensioen te verwerven, doch deze gelegenheid was min of meer fictief, omdat aan dat vervroegde ouderdomspensioen niet tevens een verhoogd pensioen werd verbonden. Spreker wijst er op, dat het practisch onmogelijk is, om op 55-jarigeu leeftijd maximum pensioen te verwerven, zoodat ook na 't bereiken van dien leeftijd vele ambtenaren bij de belastingen in dienst blijven, hetgeen spreker niet in 't belang acht van den Staat. Voorts vestigt spreker er de aandacht op, dat de inspecteurs niet genoemd zijn onder hen, die op 55-jangen leeftijd recht hebben op pensioen,- doch spreker meent te mogen verwachten, dat dit in de nieuwe wetgeving wel het geval zal zijn, omdat de nieuwe belastingwetgeving zóó veel van deze ambtenaren vergt; indien zij bet Staatsbelang inderdaad behoorlijk willen dienen, moeten zij strijdbaar zijn. Men kan bij de beoordeeling der aangiften den strijd al dan niet aanvaarden, zoodat men de drukte en 't bezwaar aan het werk verbonden voor een goed deel in eigen hand heeft, Begrijpelijk is, dat de vereischte van den 65-jarigen leeftijd niet gunstig kan werken met 't oog op het Staatsbelang, pp dien leeftijd mist men den vereisen ten strijdlust,

Spreker wijst er op, dat de inspecteurs de wenschelijkheid toegeven, dat zij, bij het bereiken van een bepaalden leeftijd, gedwongen worden hunne betrekking neer te leggen, doch zij willen daaraan niet de mogelijkheid verbonden zien, om, zooals thans soms geschiedt, en waarschijnlijk in den toekomst meer zal gebeuren daarbij genoodzaakt te worden eene benoeming tot ontvanger te accepteeren, een ambt, dat niet alle inspecteurs begeeren, omdat 't feitelijk eene degradatie

zij 't dan ook niet eene financieele — inhoudt. Daarnaast

moest dus de keuze open blijven om den dienst met vol pensioen te verlaten en hiervoor moest de nieuwe pensioenwet de gelegenheid openen.

Sluiten