Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VERGADERING .

ran de Subcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 1 Februari 1918, 's middags om 1-J uur, in hét gebouw der Pensioenraden.

Afwezig met kennisgeving de heeren Mulder, Trip en Zeilmaker.

Tot het mondeling toelichten van schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de bond van deurwaarders der gemeentebelastingen in Nederland. De drie heeren, die dezen bond vertegenwoordigen, zeggen allereerst dank voor de, hun geboden, gelegenheid om hunne wenschen nader toe te lichten en wijzen er vervolgens op, dat de deurwaarders bij de gemeentebelastingen, gaarne, evenals hunne collega's bij de rijksbelastingen, aan wie die gelegenheid is geopend, de dienstjaren in zij delingschen dienst, b.v. als particulier klerk op een rijkskantoor, doorgebracht, in aanmerking zouden zien gebracht bij de berekening der, hun eventueel toe te kennen, pensioenen. Zoowel de Rijks- als de gemeentedeurwaarders zijn grootendeels voortgekomen uit de particuliere klerken; de als zoodanig doorgebrachte dienstjaren kunnen door de Rijksdeurwaarders als zij delingsche diensten door het betalen van een inkoopsom pensioen geldig worden gemaakt, welke mogelijkheid ook de gemeentedeurwaarders gaarne zouden wenschen.

Ter illustreering van het h. i. onbillijke in de bestaande bepalingen worden een drietal zich voordoende gevallen genoemd, waarbij de ten opzichte van de betrokken ambtenaren volkomen gelijkwaardige zij delingsche diensten slechts door een dier drie ambtenaren ingekocht konden worden. De genoemde gevallen waren de volgende:

A. was particulier klerk bij een ontvanger van 's Rijksbelastingen en werd daarop benoemd tot deurwaarder der gemeentebelastingen.

B. was particulier klerk en vervolgens Rijksklerk bij 's Rijksbelastingen. Hij wordt, vóórdat de wet tot regeling van den inkoop van zijdelingscheo diensten tot stand kwam, benoemd tot Deurwaarder der Gemeentebelastingen en kan nu evenmin als A zijne zij delingsche diensten inkoopen.

C. was evenals B particulier klerk en ververvolgens Rijksklerk. Hij verzocht zijne zijdelingsche diensten te mogen inkoopen en werd, hangende dit verzoek, benoemd tot deurwaarder der Gemeentebelastingen. Op het verzoek werd gunstig beschikt, zoodat C, in tegenstelling met A en B gerechtigd bleek, deze zijdelingsche diensten, die voor elk hunner toch volkomen dezelfde waren, in te koopen.

Voorts wordt er op gewezen, dat de Rijksdeurwaarders, die vrijwel dezelfde werkzaamheden verrichten als de gemeente-deurwaarders, zijn opgenomen onder de categorieën, aan welke op 55-jarigen leeftijd recht op pensioen is toegekend ; ook de gemeentedeurwaarders zouden gaarne voor deze vroegere pensionneering in aanmerking komen. Deze laatste wensch wordt intusschen met eenigen schroom uitgesproken, omdat de gemeentedeurwaarders op de vervulling er van minder prijs zouden stellen, indien daaraan niet tevens de mogelijkheid werd verbonden om na 30 dienstjaren het volle pensioen te verkrijgen. Ook van dezen wensch springt de billijkheid in het oog.

Het Bestuur van den Bond heeft nader verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten