Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1

H6 VERGADERING

van deSubcommissie, gevormd uit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 22 Februari 1918, 's morgens om 11| uur, in het gebouw der Pensioenraden te 's Gravenhage.

Afwezig- met kennisgeving de heeren prof. Suyling en dr. Snoeck Henkemans.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen is uitgenoodigd de Nederlaitdsche Verplegers Vakvereemiging, welke vereeniging vertegenwoordigd is door de heeren J. C. van Donselaab, C. Dbosteby en J. Meisnee.

Deze afgevaardigden wijzen er allereerst op, dat de wijkverplegers (verpleegsters) en de verplegenden, werkzaam bij de Gemeentelijke Geneeskundige Diensten, nog niet behooren tot de categorieën, aan welke op 55-jarigen leeftijd pensioen kan worden verleend.

De Voobzitteb, de heer von Weileb, wijst er op, dat hierin wel reeds zou zijn voorzien, doch dat men met uitbreiding der categorieën heeft gewacht, omda tdoor de instelling dezer Staatscommissie toch eene herziening der-pensioenwetten kon worden verwacht.

De heer Dbosteby stelt vervolgens voor, om bij de nieuwe pensioenwet te bepalen, dat verplegenden, werkzaam in openbare diensten, op 55-jarigen leeftijd na 30 dienstjaren recht zullen krijgen op het volle pensioen, dat dan 4/5 van het salaris behoort te bedragen. Deze vraag wordt gedaan, omdat de arbeid der verplegenden physisch en psychisch zóó demoraliseerend en inspannend is, dat zij, na 30 jaren dienst, geene volle werkkrachten meer zijn. Zij komen bovendien op lateren leeftijd in dienst, omdat ervaren, gestudeerde krachten worden verlangd, zoodat zij niet het aantal dienstjaren'kunnen behalen, dat voor andere ambtenaren bereikbaar is. Vóór het 20ste levensjaar worden de verplegenden nagenoeg nooit in . dienst aangenomen en uit verzamelde rapporten blijkt, dat, zeer zeker in de moderne inrichtingen, na het 55ste levensjaar slechts een enkeling in dienst blijft. Zelfs worden bij uitzondering verplegenden aangetroffen, die den leeftijd van 55 jaren hebben bereikt en zoo zij er zijn, worden zij uit humane overwegingen in dienst gehouden en gebruikt voor bureaudiensten en dgl.

De heer van Donselaab deelt mede, dat de vraag, dat het pensioen dan 4/5 van het salaris zal bedragen, feitelijk uit bescheidenheid is gedaan. Na de pensionneering toch gaat men met minder verdiensten in stand achteruit, omdat tijdens de dienstbetrekking geene gelegenheid bestond om over te leggen. Spreker wijst er op, dat dit beroep nog in opkomst is, waardoor de salarissen laag zijn. Na de pensioneering wordt men dus financieel sterk getroffen, ook omdat men als verplegende vrij ontbijt- en koffietafel geniet, alsmede ambtskieeding. Bovendien is er reeds op gewezen, dat de verplegende geene 40 dienstjaren kan verwerven. Intusschen zou men desnoods reeds tevreden zijn, indien na 30 dienstjaren een maximum-pensioen van 2/3 van liet salaris kon worden verworven.

Sluiten