Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Meisnee kan zich met dit laatste niet vereenig-en» De breuk 2/„ is altijd te laag gevonden en met een zoodanig maximum pensioen gaat men sterk in verdiensten achteruit. Spreker moet dus wel degelijk het verlangen zijner vereeniging naar een maximum pensioen na 30 dienstjaren van 4/, van het salaris handhaven.

In de derde plaats zegt de heer van Donselaab, dat zijne vereeniging gaarne zou zien, dat bij invaliditeit, ook al is deze niet in en door den dienst ontstaan, na 12y2 jaar vol pensioen werd verkregen. Deze wensch wordt speciaal voor de z.g. gevarenklasse gedaan. Invaliditeit komt onder het verplegend personeel veelvuldig en vaak vroegtijdig voor, terwijl' ,,in en door den dienst" dan zeer moeilijk is aan te toonen.

De Voobzitteb doet opmerken, dat de Staatscommissie niet kan uitmaken, of eene ziekte eene beroepsziekte is of niet, dat is eene medische kwestie.

In de vierde plaats is de heer van Donselaab van meening, dat de weduwen en de weezen moeten kunnen blijven leven in stand en omgeving waarin zij verkeerden; het tegenwoordige pensioen beteekent eene groote achteruitgang.

De Voobzitteb doet opmerken, dat vermoedelijk het fonds uitkeering van hoogere pensioenen niet zal kunnen dragen, het zal daardoor ontredderd worden, hetgeen zeker niet in het belang der ambtenaren zal zijn. Eene vèrhooging der weduwenpensioenen geschiedt stelselmatig, zoodra het fonds zoo'n uitgave dragen kan.

Vervolgens wordt door de organisatie het premievrij pensioen bepleit, zij is het niet eens met de opmerking van den heer von Weileb, dat dit verzoek feitelijk neerkomt op eene salarisverhooging.

De heer Meisneb wijst er op, dat de ambtenaar voor z'n salaris z'n geheele werkkracht geeft. De Staat moet dan ook zorgen voor een behoorlijk pensioen; ook in Duitschland en Oostenrijk worden van de ambtenaren geene bijdragen gevorderd.

De Voobzitteb zegt, dat de vergelijking met deze landen niet opgaat, omdat daar nooit bijdragen werden betaald. Spreker wijst er op, dat bij de pensionneering tweeërlei belang ter sprake komt, dat van den ambtenaar en dat van den Staat. Nu is het een feit, dat de Staat het leeuwendeel der pensioenen voor zijne rekening neemt, is het dan niet billijk, dat ook de ambtenaren een gedeelte daarvan bijdragen?

De heer Meisneb meent, dat waar de Staat reeds zóóveel betaalt, hij ook alles kan betalen. Het is bovendien voor de ambténaren uiterst bezwaarlijk om b.v. van de salarissen van eerste aanstelling, die bijdragen te voldoen.

In de zesde plaats bepleit de heer van Donselaab de wenschelijkheid, dat jaren in dienst van provincie of waterschap doorgebracht, in aanmerking zullen kunnen komen bij de berekening der pensioenen.

Ten slotte zou de vereeniging gaarne zien, dat het verplegende personeel, werkzaam in ziekenhuizen, krankzinnigengestichten en dergelijke instellingen, welke staan onder medezeggingschap van provincie of gemeente, onder de bepalingen der Pensioenwet werd opgenomen. Er wordt op gewezen, dat de begrooting, de salarissen, eventueele adressen enz. door genoemde corporaties moeten worden behandeld, terwijl de pensioenbelangen van het personeel niet worden behartigd.

Na een woord van dank voor de gelegenheid door de Commissie verschaft, om de menschen toe te lichten, wordt de bijeenkomst gesloten.

De gehoorde personen hebben nader verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

21

Sluiten