Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H VERGADERING

van de Subcommissie, geTormd nit de Staatscommissie, inzake het burgerlijke pensioenwezen, op Vrijdag 5 April 1918, 's namiddags om SJ- uuii in het gebouw der Pensioenraden.

Afwezig- met kennisgeving de heer' Elenbaas.

Tot het mondeling toelichten van hare schriftelijke wenschen inzake het pensioenwezen, is uitgenoodigd de Vereeniging van leeraren bij het M. O., welke vereeniging is vertegenwoordigd door de heeren Snijders en Boebma en door mej. Dalhuisen.

De heer Snijdees betoogt in de eerste plaats, dat de leeraar, met behoud van aanspraak op uitgesteld pensioen, den dienst moet kunnen verlaten ook vóór zijn 65ste jaar en zonder invalide te zijn. Spreker meent, dat een leeraar, zonder bepaald invalide te zijn, door z'n leeftijd al is die nog niet 65 jaar, dikwijls toch niet meer naar behooren de taak kan vervullen om kinderen en jonge lieden op te voeden. Zulke personen mogen niet ten nadeele van de jeugd, die aan hunne zorgen is toevertrouwd, gedwongen worden hun taak te blijven vervullen, op straffe van het verlies van alle pensioensaanspraken, welke zij door het storten van hunne bijdragen, hebben verworven. Ook als een leeraar meent, dat zijn levenstaak een andere moet worden, mag hij, naar spreker's meening, niet door de bepalingen der Pensioenwet feitelijk gedwongen worden als „opvoeder" werkzaam te blijven, omdat lesgeven zonder lust of ambitie, tegen wil en dank noodwendig onvoldoende resultaten moet hebben en ten nadeele moet strekken der leerlingen.

Spreker wijst er op, dat reeds bij de behandeling der Burgerlijke Pensioenwet er op werd aangedrongen om een ontslag op eigen verzoek, als zooeven besproken, mogelijk te doen zijn.

Spreker wijst in dit verband op het gesprokene bij die behandeling door mr. S. van Houten in de Tweede Kamer:

„De Staat moet zich niet verrijken door het ontslag van „een ambtenaar. Wanneer een ambtenaar, na 10-jaiïgen „dienst ontslagen wordt, om welke reden ook, moet hij toch „z'n aanspraak behouden op een pensioen, waarop de stor„ting, die de Staat hem oplegt, m.i. recht geeft. Er is een „groote onbillijkheid in, dat een ambtenaar, eenmaal ambte„naar zijnde, ambtenaar moet blijven, op straffe van bij zijn „ontslag alle aanspraak op pensioen te verliezen, die hij door „zijn eigen geld heeft verkregen. Wil een ambtenaar, na „10 jaren dienst, liever weggaan, dan moet men hem niet „door geldelijken dwang aan den arbeid willen houden, niet „aan z'n zetel willen ketenen, omdat hij dien niet kan verbaten zonder alle aanspraken op pensioen te verliezen, „zonder alle gestorte bijdragen in den steek te laten, die de „Staat van hem heeft ingehouden." Spreker noemt mede in dit verband de rede van mr. Goeman Bobgestus bij deze

Sluiten