Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Spreker wijst er vervolgens op, dat door de adressanten niet gevraagd wordt om dienstjaren dubbel te doen tellen, omdat dit tegen alle beginselen van pensionneering zou indruiscben, doèb gewenscht wordt, dat vroegere jaren zoowel voor de eene helft als voor de andere helft voor den pensioensgrondslag kunnen meetellen. In verband hiermede ware artikel 17 der Burgeerlijke Pensioenwet zóó te wijzigen, dat de tijd, in andere betrekkingen doorgebracht, bij ontslag in aanmerking komt als diensttijd in beide burgerlijke betrekkingen. Het lste lid van genoemd artikel 17 ware dan te veranderen zóó, dat „in de burgerlijke betrekking met den hoogsten pensioensgrondslag" werd vervangen door: „in alle de burgerlijke betrekkingen, waarvoor men aanspraak op pensioen kan doen gelden".

Spreker vestigt er de aandacht op, dat dan ook in de Pensioenwet voor de bijzondere leeraren 1913, artikel 14 2) zou moeten worden veranderd, zóó, dat de leeraar één gezamenlijken grondslag krijgt. Hiertegen kan, naar sprekers meening te minder bezwaar bestaan, omdat artikel 14 3) deze opvatting van velschillende grondslagen niet streng doorvoert, noch wat betreft verschillende te doceeren vakken, noch wat betreft het verbonden zijn van verschillende scholen van gelijken aard. Iets verder gaande dan de toelichting op dit artikel 14 ware dus zeer goed één grondslag vast te stellen voor leeraren aan een gymnasium en een H. B. S. verbonden.

De Voobzitteb. doet opmerken, dat aan de bezwaren van den heer Bomli c. s. tegemoet kan worden gekomen, door de belanghebbenden te benoemen aan ééne inrichting van onderwij s met de verplichting om tevens gratis te doceeren aan eene andere inrichting. Belanghebbenden ontvangen dan eene aanstelling als leeraar aan de instellingen van Hooger en Middelbaar Onderwijs. Spreker weet, dat deze methode te Botterdam bij verordening is geregeld en met succes wordt toegepast, hij adviseer* den heer Bomli zich tot den gemeentesecretaris van Rotterdam te wenden, ten einde de betreffende bepaling nauwkeurig onder de oogen te kunnen zien. Voor leeraren aan een Rijks hoogere burgerschool en aan een gymnasium is zulk eene regeling natuurlijk niet te treffen.

De heer Bomli zegt den Voobzitteb dank voor diens inlichtingen, waarvan hij zeker gebruik zal maken. Spreker wijst er nog op, dat waar de Pensioenwet voor Burgerlijke Ambtenaren aan de leeraren, die aan 2 Onderwijsinrichtingen werkzaam zijn twee pensioenen toekent, de Pensioenwet vu<u weduwen en Weezen anders handelt. Deze twee wetten leggen een verschillenden maatstaf aan, een argument te meer, om het pensioen van den burgeiiijken ambtenaar zóó te berekenen alsof hij maar één pensioensgrondslag had, die gelijk is aan de som van zijne beide of meerdere grondslagen.

De gehoorde persoon heeft nader verklaard met deze notulen accoord te gaan.

De Voorzitter,

Sluiten