Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Daarnaast blijft de Directeur van Justitie bij de Regeering het denkbeeld aanbevelen, het geheele poenale sanctiestelsel binnen 7 jaar, b. v. met ingang van Januari 1925, af te schaffen en het aan de Planters over te laten, zeiven te bedenken welke maatregelen noodig zijn om den overgang binnen den bepaalden termijn tot „vrijen arbeid" voor te bereiden.

Een langer uitstel der afschaffing acht de Directeur van Justitie om politieke redenen niet mogelijk, ongeacht of daartegen al dan niet bezwaren bestaan. Toch wenscht dit Departementshoofd de Planters in de gelegenheid te stellen om te berichten of, en zoo ja, in hoever bij dezen bezwaar bestaat tegen de uitvoering van de door ZHEdG. voorgestelde maatregelen, en acht den termijn van zes maanden daartoe voldoende en niet zoo lang, dat de afschaffing der P. S. daardoor aanmerkelijk zou worden vertraagd.

Met den meesten klem doet de Directeur van Justitie op den voorgrond treden, dat over het al of niet afschaffen der poenale sanctie geen discussie meer is toegelaten, dat tot die afschaffing onherroepelijk is besoten, o. a. waar ZHEdG. in den aanhef van zijn schrijven nog aanhaalt het geheim schrijven van den lsten Gouvernements-Secretaris van 5 Februari 1918 No. 80 X. hierboven aangehaald.

Ook elders vindt de Directeur van Justitie gelegenheid, telkens met nadruk daarop te wijzen, o. m. waar ZHEdG. zegt: „Hoofd„zaak is dat de planters inzien, dat het der Regeering ernst is „en daarvoor is noodig, dat geenerlei onzekerheid omtrent de plannen „der Regeering bestaat, althans wat de hoofdzaak betreft."

Het hoogtepunt van dien nadruk bereikt de Directeur, waar deze Hoofdambtenaar zegt, dat dit besef nog niet tot de planters is doorgedrongen, hetgeen toegeschreven wordt aan den indruk, bij de planters gewekt door de besprekingen met den heer Lulofs, na hoeveel jaren, middels de kolonisatie, tot afschaffing der P. S. zou kunnen worden overgegaan.

Het resultaat dier besprekingen, het toestaan eenerzijds, het accepteeren anderzijds van een twaalfjarigen overgangstijd van poenale sanctie op kolonisatie wordt door den Directeur van Justitie gewraakt; beide aangelegenheden worden opzettelijk van elkaar losge" maakt, met een beroep op een uitlating van een der voornaamste werkgevers ter Oostkust, die zich had laten ontvallen, doelende op de kolonisatieplannen, „dat het van zelf sprak als de planters „gebruik maakten van den kapstok dien de Regeering hun aan„bood.".

Het zeer belangrijke en gedocumenteerde betoog in den open brief van den Heer J. S. C. Kasteleijn aan de bekende Commissie der Tweede Kamer, gaf den Directeur van Justitie geen

Sluiten