Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een ontwerp „Cultuurwet" van Minister FRANSSE VAN DE PUTTE bereikte intusschen evenmin het Staatsblad.

Intusschen moest de particuliere industrie zich maar zien te redden, totdat „de bandelooze toestand, waarin de vrije arbeid „zich bevond als gevolg von de bestaande bepalingen nopens „wèrkovereenkomsten. welke een premie op bedrog en oplichting „stelden, aangezien de inlanders aan die vrijwillig aangegane over„ eenkomsten zich straffeloos konden onttrekken" de particuliere oudernemers ernstige klachten bij de Regeering deden voorbrengen Naar aanleiding daarvan vroeg Minister DE WAAL de Indische Regeering in 1870 om advies nopens een strafbaarstelling van sommige soorten van werklieden, die na voorschot te hebben bedongen en ontvangen, zonder geldige redenen en zonder terugbetaling van voorschot zich aan het verrichten van den arbeid onttrokken. Maar intusschan was de herziening der strafwetgeving in Indië aanhangig, en werd in 1872 het bekende art. 2 No. 27 van het Politiestrafreglement voor Inlanders ingevoerd.

Hier werd zuiver contractbreuk, afgescheiden van het voorschot, strafbaar gesteld, op grond, dat civiliter geen verhaal tegen den arbeider wegens wanprestatie mogelijk was.

Het voorstel van Mr. DERKINDEREN om ook den werkgever strafbaar te stellen werd niet aangenomen, omdat de werkman tegen den werkgever wel verhaal heeft.

Toen in 1879. art. 2 No. 27 Politie-Strafreglement werd afgeschaft, gevoelde men weer dadelijk behoefte aan de nieuwe strafbepaling art. 328a S. W. B. die echter practisch onbruikbaar bleek. Tien jaar geleden schreef Mr PAETS TOT GANSOIIEN in zijn bekend praeadvies pag. 69, „dat sedert jaren al het „juridisch vernuft dat in Indië aanwezig is, in het werk gesteld „is, om de contracten met karrevoerders voor het suikerriettransport „te beschermen," hetgeen echter niet belette, dat menigmaal het voorschot van f 60.— grootendeels onaangezuiverd bleef en het suikerriet op het veld verrotte, omdat het niet tijdig afgevoerd werd.

In hoeverre zich de toestand in de laatste tien jaren gewijzigd heeft is ons niet bekend; het is niet uitgesloten, dat jarenlange practijk den Javaanschen arbeider tot een meer geschikten arbeider heeft gemaakt en de werkgever zich aan hem heeft weten aan te passen.

2. IN STREKEN OP JAVA (Banjoewangi) waar in hoofdzaak met van elders (Madoera) tijdelijk immigreerende arbeiders wordt gewerkt, heeft de behoefte aan bescherming der nijverheid geleid tot het ontwerp Banjoewangi-regeling, waarvan strekking en inhoud bekend zijn.

Sluiten