Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De belofte door Uwe Excellentie gedaan, dat onze voorstellen zorgvuldig onderzocht zullen worden, waarborgt ons dat het verkrijgen van zoodanige uitkomst ook de wensch is van Uwe Excellentie.

De voorstellen zijn twee in getal.

Het eerste tot wijziging van de bestaande concessie waardoor er in opgenomen wordt eene concessie voor de lijn Solo—Madioen en de versmalling van de spoorwijdte.

Het tweede de concessie voor eenen spoorweg van Djocjo naar Tjilatjap.

De beide concessies, zooals zij na de wijziging der bestaande zullen zijn, bevatten twee bepalingen die geheel afwijken van vroegere.

Vooreerst eene andere wijze van terugbetalen der voorschotten van den Staat. Volgens de concessie S|V. (Art. 90) is die terugbetaling afhankelijk van de uitkomsten der onderneming, doch volgens de voorgestelde, van de winsten van de vennootschap. Zoo als het artikel nu luidt is het onverstaanbaar, en hoe ook uitgelegd altijd onvoordeeliger voor den Staat.

Er wordt namelijk gezegd, dat de terugbetaling begint wanneer de zuivere winst 5% bedraagt, maar er wordt niet bijgevoegd 5% van welk kapitaal. Is het van het aandeelenkapitaal, van het gegarandeerde kapitaal of van het kapitaal voor den aanleg gebruikt? Al neemt men het kleinste, het aandeelenkapitaal, en wel zooals het oorspronkelijk was, tien millioen, dan zou nog ƒ 662.000.— 'sjaars meer dan in 1874 verdiend moeten worden, voor de terugbetaling begint, en kan deze niet meer dan ƒ 100.000.— bedragen vóór er ƒ 963.000.— meer dan in 1874 verdiend wordt.

Bij de nieuwe regeling zal de aflossing reeds aanvangen als ƒ 288.000.— meer dan in 1874 wordt verdiend en dan steeds voortgaan en grooter worden, zoodat bij eene verdienste van ƒ 662.000.— meer als boven, reeds ƒ 300.000.— 'sjaars wordt terugbetaald.

De nieuwe redactie drukt uit wat de bedoeling oorspronkelijk waarschijnlijk geweest is, namelijk dat de ondernemer eene goede rente van zijn geld zal genieten, alvorens de schuld aan den Staat af te doen, doch ook niet meer. Tegenover deze voor den Staat meer billijke bepaling, moet staan een andere, die de billijke verwachtingen van de aandeelhouders, meer kans van verwezenlijking geeft, de kans om eene goede rente te verkrijgen en te behouden. Daartoe dient de tweede nieuwe bepaling, waarbij aan de Maatschappij de bevoegdheid wordt gegeven om, wanneer de aanleg meer kost dan waarop is gerekend, rente en aflossing van dat meerdere gebragt kan worden ten laste van de exploitatierekening. Het gevolg hiervan is het omgekeerde van de eerste bepaling namelijk, dat de aflossing wat vertraagd kan worden, doch zeker niet zooveel als door de andere kans op versnelling der aflossing gegeven wordt.

Sluiten