Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noodig is. Voorts is daarin bepaald dat de plannen der in Europa uit te voeren werken (ijzeren bruggen enz.) nï.et door dsn Gouverneur-Generaal, maar door deor den Minister van Koloniën zyn goed te keuren. In den regel toch zullen die plannen zeer wel hier te lande zijn te beoordeelen, en mogt dit bij uitzondering niet het geval zn'n, dan zal de Minister advies uit Indië kunnen inwinnen. Moesten alle plannen naar Indië gaan, dan zou dit, vooral bh' het wisselen van gedachten over aan te brengen wijzigingen, tot noodeloos tijdverlies aanleiding geven. Met het oog op de hierbedoelde bepaling moest in volgende artikelen van den Minister van Koloniën en den Gouverneur-Glneraal worden melding gemaakt, waar de oude concessie alleen den Gouverneur-Generaal noemde.

De redactie van art. 10 is duidelijker, en meer in overeenstemming met de bestaande verordeningen, dan die van art. 9 der oude concessie.

In art. 11 (zie ook het slot van art. 8) is, ten einde een waarborg te geven tegen vertraging van de uitvoering der werken, de termijn bepaald binnen welken in Indië beslist moet worden nopens de plannen en ontwerp, door de Maatschappij aangeboden. Voor de beslissing omtrent de ontwerpen, die aan den Minister van Koloniën aangeboden worden, kon natuurlijk geen termijn worden gesteld, omdat, zoo als straks is opgemerkt, de Minister zich somtijds misschien verpligt kan zien de Indische Regering op die ontwerpen te hooren.

In art. 12 is niet opgenomen de bepaling, dat een in Nederland opgemaakt certificaat in Indië als bewijs voor de deugdzaamheid der materialen moet gelden, maar zijn geschillen over de deugdzaamheid der materialen aan de beslissing van deskundigen, die buiten het geschil staan, onderworpen.

In art. 13 is het voorschrift der oude concessie, omtrent den vrijen invoer van hetgeen voor den aanleg en de exploitatie der spoorwegen benoodigd is, in overeenstemming gebragt met de tariefwet van 1872.

Art. 14 is ook anders geredigeerd moeten worden dan art. 14 der oude concessie, omdat daarin eene verordening (Indisch Staatsblad 1851, no. 6) werd aangehaald die niet meer van kracht is.

Art. 23 is in zooverre vollediger dan art. 24 der oude concessie, als het uitdrukkelijk bepaalt dat — en in hoeverre — de Maatschappij na de algemeene en laatste opneming van de spoorwegen nog tot het aanbrengen van veranderingen verpligt kan worden.

In art. 30 (zie ook art. 77) is opgenomen de verpligting der Maatschappij om hare gebouwen tegen brandschade te verzekeren waarover in de oude concssie gehandeld werd in art. 89.

i) Bij art. 32 is aan de Maatschappij een termijn van twee jaren gelaten voor de uitbreiding van haar materieel, wanneer daartoe door den

1) Het 32ste artikel der oude concessie is in 1870 ingetrokken. Artt. 81. 32. 33 enz. der nieuwe concessie zijn dus in de oude concessie artt 33, 34, 35 enz.

Sluiten