Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laatste alinea, sprake is. Waarschijnlijk lag dit niet in de bedoeling. Hiertegen werd anderzijds opgemerkt, dat als tot uitgifte dier leening wordt overgegaan, de rekening per se ƒ 28 500 000 bereikt zal hebben en dus volgens alin. 3 reeds zal zijn afgesloten. .:

Art. 71, alinea 2. Men zie de algemeene beschouwingen over deze overeenkomst.

Art. 72. De rentelooze schuld aan den Staat zal uit den aard der zaak spoedig millioenen beloopen.

Hoe, indien vóór hare aflossing, de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij vervallen wordt verklaard en hare concessie ingetrokken, of wel de spoorweg genaast?

Dat de dan nog in omloop zijnde obligatiën der gegarandeerde leening van ƒ 22y2 millioen in mindering komen, is bij art. 74 alin. 5 bepaald.

Maar aan de rentelooze schuldvordering van den Staat, in art. 72 bedoeld, schijnt door de Regering niet gedacht te zijn.

Er was intusschen aanleiding voor.

Of zou de Regering inderdaad meenen, dat — zoo als nu het contract er ligt en speciaal art. 72 alin. 2 geredigeerd is — de Maatschappij niet zou kunnen beweren, alléén tot rembours gehouden te zijn bijaldien en voor zooverre ze uit de exploitatie winst maakt — en dat bijgevolg bij afbreking van alle exploitatie en verval van alle exploitatie-winst, geen sprake van rembours kan komen?

Zonder voorbeeld ware dusdanige bewering niet, en in allen gevalle diende deugdelijk beleid bij de onderhandelingen haar te hebben gekeerd.

Art. 74, alinea 2. Men heeft waarschijnlijk willen zeggen, niet, dat de obligatiën „aflosbaar" zullen zijn binnen den genoemden termijn, maar dat zü moeten worden afgelost.

Art. 75. Waardoor wordt gewettigd, dat 's Rijks regt tot vervroegde aflossing, bij art. 87 der concessie Samarang-Vorstenlanden in 1869 bedongen, hier niet is overgenomen?

Alina 1. Wat zal regtens zijn, wanneer de partijen niet overeenkomen? Zoo als de bepaling thans luidt mist zü alle nut. De minimum-prijs van uitgifte diende tusschen de Regering en de Maatschappij te worden vastgesteld en dan bepaald, dat de Regering de obligatiën tot dien prijs kan nemen. ';, • \:

Art. 76. Regt tot uitgifte schijnt hier in beginsel te worden toegekend.

Alleen omtrent de voorwaarden kan aanmerking gemaakt en eene arbitrale beslissing ingeroepen worden.

Sluiten