Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Had de Staat geen belang om zich van stabiliteit opzigtens aandeelenkapitaal en obligatiën beter te verzekeren?

Het zou de voorkeur verdienen dit artikel te laten luiden als volgt: „Aandeelen of eenige andere dan de bij art. 74 bedoelde obligatiën worden door de Maatschappij noch uitgegeven noch ingetrokken, zonder toestemming van den Minister van Koloniën op door hem goedgekeurde voorwaarden".

In art. 85 diende dan van dit artikel geen melding te worden gemaakt.

Kan, werd nog gevraagd, het regelen der voorwaarden van uitgifte door de Regering in dien geest worden verstaan, dat het aan de Maatschappij, indien haar dit voordeelig toeschijnt, zal geoorloofd zy*n eene premie-leening te sluiten?

Art. 77. „Alle uitgaven van administratie" komen op deze exploitatie-rekening. En volgens art. 83 der concessie Samarang-Vorstenlanden even zoo op de exploitatie-rekening van die lijn. Bewijst ook dit niet, dat unificatie wenschelyk is? Bij art. 4 der overeenkomst behoorende by de wet van 10 April 1869 (Staatsblad no. 66) was aan dusdanig mogelijk doublé emploi reeds gedacht.

Art. 79. Het effect dezer bepaling moet, naar men begreep, dit zyn, dat de voor a, b, c, en d eventueel noodzakelijke* uitgaven direct noch indirect den Staat zullen raken, zoodat door die uitgaven zyn regt op teruggave der voorschotten niet zou worden verkort.

Zoo als nu art. 83 geredigeerd is, meende men, dat dit doel behoorlijk verzekerd schijnt te zyn wat betreft „de voorschotten over het afgeloopen jaar uitbetaald". Maar is dit ook wel het geval wat aangaat voorschotten over vroegere jaren, „de schulden der Maatschappij?"

Met andere woorden, is wel behoorlijk bedongen, dat de by a, b, c en d bedoelde uitgaven uitsluitend komen ten laste van het winstaandeel der deelhebbers?

En hoe, indien die uitgaven noodzakelijk blijken te zyn voor en aleer op de exploitatierekening meer overblijft dan het bedrag van het Rijks voorschot over het afgeloopen jaar?

Laatste alinea. I. Hier wordt gesproken van „zuivere winst", eene eene uitdrukking, die nergens anders wordt teruggevonden. Art. 83, alinea 2 spreekt van „de jaarlijksche uitkeering van winst".

Bedoelt men hetzelfde, waarom dan niet dezelfde uitdrukking?

Bedoelt men iets anders, is dan nadere verklaring niet wenschelijk?

II. Vordert het belang van den Staat niet, dat de concessie ook omtrent de aflossing dezer leening eenige voorschriften inhoude? Of acht men daarin reeds door art. 76 voldoende voorzien?

Sluiten