Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Andere leden dachten gunstiger over het belang eener eenvormigheid van spoor. Met deze overeenkomst waren echter deze leden evenmin ingenomen. Nam men in aanmerking, zeiden zij, dat de spoorversmalling hoofdzakelijk strekt ten bate der Maatschappij, dat het werk voor een deel eerst na geruimen tijd behoeft te worden uitgevoerd, en dat de Staat nu reeds de helft der kosten op zich neemt, dan was de vraag geoorloofd, of het eigenbelang der Maatschappij deze niet na korter of langer tijd zou hebben genoopt, ook zonder toekenning van nieuwe concessiën op gelijke, of weinig meer bezwarende voorwaarden zoodanige overeenkomst te sluiten. Eenige leden meenden zelfs, dat na verloop van 25 jaren zoowel het spoor als het rollend materieel wel versleten zouden zijn en dat dan de Maatschappij toch wel tot vernieuwing, zou zijn genoodzaakt, ook zonder bijdrage van den Staat. Dit subsidie achtten ook deze leden daarom ongemotiveerd.

Sommigen herinnerden hier nogmaals aan de rigting van de nieuwe lijn Djokjocarta-Tjilatjap. Wierd aan de Maatschappij toegestaan daarvoor de bergljjn te verkiezen, dan zoude welligt de overeenkomst betreffende de spoorversmalling geheel kunnen vervallen.

Wederom andere leden waren van oordeel, dat de spoorversmalling der oude lijn onvermijdelijk noodzakelijk was, nu het type van het smalle spoor eenmaal voor Java was aangenomen en dus de nieuw geconcedeerde lijnen, die aan de oude lijri aansloten, ook volgens dat type moesten worden gebouwd. De billijkheid brengt mede, dat, even als dit in Nederland is geschied, voor die onvermijdelijke en verpligte spoorversmalling eene tegemoetkoming in de kosten werd gegeven.

Eenige leden vroegen nog, of het niet in elk geval raadzaam ware, aan de Regering onder sommige omstandigheden, bijv. bij oorlog, de bevoegdheid te geven de versmalling van het spoor vroeger te eischen, dan in de overeenkomst is bepaald?

Art. lralin. 2. Uit de redactie volgt, dat, als er geene Vignola-staven gebruikt worden, het gewigt niet is bepaald. Waarschijnlijk is dit echter de bedoeling niet.

Art. 2. „Binnen zes maanden onderwerpt de Nederlandsch-Indische Spoorwegmaatschappij aan de goedkeuring van den Minister van Koloniën eene teekening" enz.

Wat, indien de Minister van oordeel is het aangebodene niet te kunnen goedkeuren?

Heeft de Minister dan de bevoegdheid om voor te schrijven wat hem ten deze noodzakelijk voorkomt?

In het eerste is niet voorzien; — van het laatste blijkt nergens.

Is de zaak van geen wezenlijk belang, waartoe dan het artikel? Is ze het wel, is dan het artikel niet gebrekkig?

Sluiten