Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ambtsvoorganger, 1) en by diens Memorie van Beantwoording, 2) meent de ondergeteekende te kunnen volstaan met eenige korte opmerkingen. Hjj vereenigt zich geheel met hetgeen in § 5 der aangehaalde Memorie van Beantwoording werd gezegd: „Het lag in de bedoeling der Regering om hare voorstellen tot aanleg van nieuwe Staatsspoorwegen te handhaven, ook al werden de nieuwe overeenkomsten met de NederlandschIndische Spoorwegmaatschappij niet bekrachtigd. Zn' hield het, na de laatstelijk op Java verrigte opnemingen, voor eene uitgemaakte zaak, dat een spoorweg uit de residentie Batavia naar de Preanger regentschappen moest uitgaan van Buitenzorg, onverschillig of de ly'n BataviaBuitenzorg in handen van het Gouvernement kwam of niet. En al mogt de concessie voor de lynen Solo-Madioen en Djokjo-Magelang-Tjilatjap niet bekrachtigd worden, de aanleg van den Staatsspoorweg van Sidhoardjo naar Blitar en Madioen zou toch noodig blijven."

Ten aanzien van de concessie valt op dit oogenblik nog geene voorziening voor te dragen. De Regering is van oordeel dat voor den aanleg van spoorwegen op Java de voorkeur moet gegeven worden aan aanleg door den Staat, maar dat de exploitatie, even als hier te lande is gedaan, aan de particuliere nijverheid moet overgelaten worden. Hetgeen daaromtrent voor te stellen valt, is nog niet rjjp voor beslissing. De aanleg van wegen in de concessie begrepen, zal daardoor niet achterwege blyven noch al te-lang vertraagd.

Het spreekt van zelf dat het bedrag, hetwelk aanvankelijk voor de beide spoorwegen werd geraamd, niet geheel zal verwerkt worden, nu in de eerste maanden van dit jaar de aanleg niet is kunnen worden aangevangen. In plaats van ƒ 760.000 op het Iste en ƒ 3.600.000 op het Ilde hoofdstuk kan nu worden volstaan met eene som van ƒ 600.000 op het Iste hoofdstuk (voor ieder der beide spoorwegen drie ton), en met ƒ 2.100.000 op hoofdstuk II (voor den spoorweg in West-Java ƒ 1.100.000 en voor dien in Oost-Java 1 millioen). Deze cijfers gaan uit van de onderstelling dat in April of Mei van dit jaar met de maatregelen tot uitvoering van de beide werken een begin zal worden gemaakt.

II. Ook wat betreft het plan tot invoering van eene personele belasting en van een patentregt, gedraagt de ondergeteekende zich aan de mededeelingen der Memorie van Toelichting der Indische begrooting 1878, blz. 16|18, en der Memorie van Beantwoording § 6. Ter aanvulling van de door zyn ambtsvoorganger by de begrooting gevoegde stukken worden nog ter griffie van de Kamer nedergelegd de adviesen der Kamers van Koophandel en Nijverheid op Java, betreffende het patent-

i) Gedrukte stukken, zitting 1877-1878, 4. Memorie van Toelichting, bladz. 30132 en bijlagen Nos. 11 en 12 dier Memorie.

z) Gedrukte stukken, zitting 1877-1878, 4. No. 55, bl. 819 en 21|23.

Sluiten