Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

regt, en het rapport van den vorigeh directeur van Finantien tot wederlegging van de door die collegien aangevoerde bedenkingen. x)

Het overleg met het Indisch Bestuur over de bijzonderheden der belastingregeling is nog niet afgeloopen, maar de overgelegde stukken stellen, naar het voorkomt, de Staten-Generaal geheel in staat om over het beginsel eene beslissing te nemen.

III. De voorgedragen verhooging van de onderafdeeling 110, expeditien en troepen te velde, met ƒ 2.369.405, steunt op nader ontvangen mededeelingen, die den ondergeteekende de overtuiging geven dat in dit jaar voor den post „kosten der bezetting van Atjeh" minstens zeven millioen zal noodig zijn. De Gouverneur-Generaal gelooft dat de raming van het departement van oorlog in Indië, waarvan vroeger sprake was en die 10i/2 millioen bedroeg, door verschillende maatregelen van inkrimping en bezuiniging zal kunnen worden verminderd tot een bedrag van 7 millioen. In hoever deze verwachting zal verwezenlijkt worden, hangt nog van nadere overweging af. Intusschen meent de ondergeteekende, getrouw aan zijn wensch om de begrooting, ook wat de kosten van de bezetting van Atjeh betreft, zooveel mogelijk met de werkelijkheid te doen overeenstemmen, dat de betrokken post, die thans op .ƒ 4,630.595 is geraamd, al dadelijk behoort te worden verhoogd tot 7 millioen.

IV. De gezamenlijke verhooging, welke de begrooting van uitgaven door deze voorstellen ondergaat, bedraagt ƒ 5.122.405.

Daar echter de begrooting, zoo als die bij de wet is vastgesteld ten gevolge van eenige aangenomen amendementen, een overschot overlaat van ƒ 79.040, is te voorzien in eene uitgaaf van .ƒ 5.043.365. De vraag, op welke wijze dit bedrag zal worden gedekt, heeft een onderwerp van naauwgezette overweging uitgemaakt.

Aanvankelijk was de Regering van meening dat er geheele of gedeeltelijke bestrijding van de uitgaven voor 1878 ten behoeve van den aanleg van spoorwegen en havenwerken te Batavia geraamd, waarvan het gezamenlijk bedrag thans zou zijn f 8.005.000, tot het middel van leening de toevlugt zou moeten worden genomen. De Regering meent echter aan eene andere oplossing de voorkeur te moeten geven. Het komt

i) De bedoelde bescheiden zijn: o. advies der kamer van koophandel en nijverheid te Batavia, 31 December 1875, No. 84;

6. nader advies derzelfde kamer, 14 Februarij 1876, No. 16;

c. bijlage van het stuk 6;

d. advies der kamer van koophandel en nijverheid te Samarang, 10 Februarij 1876, No. 404;

e. advies der kamer van koophandel en nijverheid te Soerabaja, 5 April 1876, No. 716;

ƒ. rapport van den directeur van finantien van 2 Junij 1876, No. 7459,

Sluiten