Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij het ontmoeten of inhalen van een voertuig, dat zich op of in de rigting van de rails bevindt, en bij de nadering van hoeken van wegen of gangen, blaast de koetsier, tot. waarschuwing, bij herhaling op zy'n seinhoorn, en zoolang het voertuig niet voldoende is uitgeweken, mag hn' niet voorbijrijden.

Overal waar zulks ter voorkoming van ongelukken wenschelyk is te achten, doet de koetsier het rijtuig of den wagen ophouden.

Dit is verpligtend bij ontmoeting van voertuigen op plaatsen, waar ten gevolge van een druk verkeer eenig voertuig door de overigen zoo ver gedrongen is buiten de as van den weg, dat geen voorbijgang met het spoorrjjtuig of den spoorwagen kan geschieden.

Art. 21. Behoudens het bepaalde bn' art. 7, wordt op elk punt van den weg aan passagiers gelegenheid gegeven om in en uit te stijgen.

Art. 22. Personen, in kennelijk beschonken toestand of behebt met ziekten of ongesteldheden, welke voor de passagiers hinderlijk of gevaarlijk kunnen zijn, worden niet toegelaten.

Art. 23. De koetsier en de kondukteur doen het rijtuig, voor zooveel noodig, remmen en stilstaan tot dat de passagiers in- of uitgestegen zijn.

Voor het in- of uitstijgen van vrouwen, kinderen en oude personen is het doen stilstaan van het rijtuig voor den koetsier en den kondukteur streng verpligtend.

Ter voorkoming van ongelukken, waken de koetsier en de kondukteur er voor, dat niemand het rijtuig van voren bij den koetsier bestijgt.

Art. 24. De in art. 14 bedoelde bekendmaking, benevens die van het policie-reglement en van de vastgestelde ^ertrek-uren, vinden ook plaats in de wachtkamers of aan de stations der onderneming; een en ander zoowel in de Nederlandsche taal als in de Maleische, wat de laatste betreft met Romeinsche en Arabische karakters.

Art. 25. Alle niet aan bederf onderhevige voorwerpen, welke in of bh' de stations, in de rijtuigen of wagens zyn achtergelaten en door de eigenaren niet zyn opgevorderd, worden onmiddelyk aan de policie afgegeven.

Art. 26. In ieder station van de onderneming ligt op eene zigtbare plaats een door het hoofd van plaatselijk bestuur gefolieerd en geparafeerd boek, waarin de passagiers hunne klagten tegen de dienst van den paardenspoorweg kunnen opteekenen.

De weigering, om na aanvrage het boek tot- het in de 1ste alinea genoemd einde te verstrekken, is strafbaar volgens artikel 30.

Sluiten