Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voor deze takken van het staatstoezicht hebben spoorwegopzieners met eene voorbereiding als bovenbedoeld in den regel niet de vereischte eigenschappen. Dat deze leemte tot dusverre niet tot bezwaren aanleiding gaf, is slechts daaraan te danken, dat de spoorwegopzieners stonden onder de leiding van Inspecteurs der Spoorwegdiensten en van het Stoomwezen, die door hunne ruimere ontwikkeling en door hunne opleiding voor werktuigkundig-ingenieur, op het gebied van het dagelijksch toezicht aanvulden wat aan de spoorwegopzieners ontbrak.

De f unctiën van de Inspecteurs der spoorwegdiensten zullen volgens de beoogde regeling overgaan op den Hoofdinspecteur der spoorwegdiensten, die tevens is Chef van den dienst der Staatsspoorwegen en Hoofd van de afdeeling „Spoorwegen" aan het Departement.

Als Hoofd van laatstgenoemde Afdeeling is deze Hoofdambtenaar ook thans reeds belast met de voorlichting van den Departementschef ter zake der algemeene spoor- en tramwegaangelegenheden en der algemeene uitoefening van het staatstoezicht op de particuliere ljjnen.

Men moge het niet vrij van bedenking achten, dat deze adviseur van den Departementschef tevens is Chef van den dienst der Staatsspoorwegen, erkend moet worden dat voor Nederlandsch-Indië eene andere regeling moeielijk is aan te wijzen. Het regeeringstoezicht behoort niet alleen op onpartijdige, maar ook op deskundige wijze te worden uitgeoefend en het op spoorweggebied deskundig personeel, welks bijstand voor den Departementschef onmisbaar is, kan nergens worden gevonden dan-bij het aan den dienst der Staatsspoorwegen ontleende personeel der afdeeling „Spoorwegen".

Indien derhalve slechts de regel wordt gehandhaafd dat de beslissing omtrent de belangen der particuliere ondernemingen steeds bij den Departementschef verblijft, kan om practische redenen tegen bestendiging der bestaande regeling op dit gebied redelijkerwijze geen bezwaar worden ingebracht.

De nieuwe taak echter, aan den Hoofdinspecteur toegedacht, namelijk de uitoefening van het algemeen toezicht op de spoor- en tramwegen, zal, naar wij vreezen, aan het algemeen belang niet ten goede komen.

Tot dusverre wordt onder de uitoefening van dat toezicht door de Inspecteurs der Spoorwegdiensten verstaan een persoonlijk, zij het ook geen dagelijksch toezicht. Deze persoonlijke uitoefening van den werkkring is noodzakelijk om verschillende redenen. De Inspecteur moet van nabij bekend zijn en blijven met de onderneming, waarop hij toezicht houdt, daar het hem anders niet mogelijk zal zijn over hare opvattingen en inrichting op technisch en administratief gebied, dikwijls afwijkende van die der Staatsspoorwegen, maar daarom van niet minder waarde, een juist oordeel te vellen. De Inspecteur zal voorts leiding moeten geven aan het dagelijksch toezicht der spoorwegopzieners en zal zelf daar-

Sluiten