Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bezwaar van eene te ver gedreven regerings-inmenginj

„wegbedrijf algemeen wordt beschouwd als eene begeerlijke".

Wegens den hier geschetsten gunstigen toestand werd bij de tramwegen de vaststelling van loonen en dienstvoorwaarden door de Regeering, zelfs als nood- of overgangsmaatregel, overbodig geacht. Geheel denzelfden toestand treft men in Indië aan.

Uit het voorafgaande blijkt, dat de in 1903 in Nederland ingevoerde vaststelling van dienstvoorwaarden en loonen door de Regeering, hoewel zn' als noodmaatregel gerechtvaardigd werd geacht, echter naar het oordeel der beide Staatscommissiën, die door de Regeering over het onderwerp zyn gehoord, niet ter navolging kon worden aanbevolen.

Ter vermijding van misverstand mag te dezer plaatse niet onvermeld blijven, dat ook in de Nederlandsche Telegraaf- en Telefoonwet 1904 (Staatsblad No. 71) de bepaling is opgenomen, dat de regeling der loonen van het bedienend personeel aan de goedkeuring van den Minister van Waterstaat is onderworpen.

Dit is geschied op grond van eene overweging van bijzonderen aard en kan daarom niet tot voorbeeld strekken voor eene regeling bij het spoorwegbedrijf.

De bedoelde bepaling is bij amendement in de wet gebracht. Bn' de behandeling daarvan werd de aanneming door de Commissie van Rapporteurs aanbevolen; echter niet als een in beginsel aanbevelnswaardige maatregel, maar omdat het hier een speciaal geval gold. Men was van oordeel dat" het Telegraaf- en Telefoonbedrijf zich bijna niet onderscheidt van den Staatsdienst en met name veel nader staat aan dien dienst dan de dienst der groote spoorwegmaatschappijen. Ook werd er op gewezen, dat aan den ambtenaar van den Telegraaf- en Telefoondienst bijzondere verplichtingen zijn opgelegd met strafrechtelijke aansprakelijkheid, waardoor hij eene bijzondere plaats inneemt. (Handelingen 2de Kamer 1903—1904 blz. 217).

§ 4. Het bezwaar der uit de Regeeringsbemoeiing met de personeelzaken voortvloeiende centralisatie, waarop P de Staatscommissie van 1908 wijst, zou zich in Indië nog in veel hinderlijker mate doen gevoelen dan in Nederland.

Aan de Regeering ontbreken reeds thans meermalen de vereischte werkkrachten tot vervulling van de bestuurs-

Sluiten