Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3) Bovendien is genoemde directeur in zoodanig geval bevoegd de voor de veilige en behoorlijke uitoefening van den dienst noodzakelijk geachte voorzieningen op kosten van de ondernemers van den spoorwegdienst te doen uitvoeren en zich tot dat einde in het bezit te stellen van voor die uitvoering benoodigde, aan de ondernemers behoorende voorwerpen.

4) De krachtens het derde lid gedane uitgaven zn'n bevoorrechte inschulden op al de roerende en onroerende goederen van de ondernemers.

5) Zij volgen onmiddellijk in orde op de bevoorrechte schulden, vermeld in artikel 1149 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 313 van het Wetboek van Koophandel.

Art. 29. Bevel tot staking van den dienst. Vordert, de openbare veiligheid dadelijke staking van den dienst, hetzij over den geheelen weg hetzij over een gedeelte daarvan, dan kan die staking worden bevolen door den ambtenaar, daartoe bevoegd krachtens de in het eerste lid van artikel 24 bedoelde regeling. Het bevel wordt door dezen, zoo mogelijk schrifteln'k, gericht aan de chefs van de meest nabijzijnde stations, die daarvan terstond aan alle chefs van de stations langs den weg kennis geven.

Art. 30. Maatregelen ter voorkoming van gevaar. 1) Het voortzetten van den dienst na bevel tot staking of het hervatten daarvan zonder toestemming van dengeen die het bevel tot staking gaf, van den Gouverneur-Generaal of van den directeur van Gouvernementsbedrijven, wordt door hen, die tot de uitoefening van het toezicht zijn aangewezen, belet.

2) Zij zijn bevoegd locomotieven, tenders, rijtuigen of wagens onverwijld uit een trein te doen verwijderen en het vertrek van een trein te verbieden en zoo noodig te beletten, indien de toestand van het materieel of de samenstelling van den trein naar hun oordeel voor den trein gevaar kan doen ontstaan.

Art. 31. Opgeschikt personeel. Personeel, hetwelk naar het oordeel van dén directeur van Gouvernementsbedrijven, ongeschikt is voor de taak, waarmede het belast is, moet op zijne vordering van die taak worden ontheven.

4e. In art. 71 eerste lid werd in de plaats van „door den betrokken spoorwegopziener, bedoeld in artikel 25, alinea 3, sub b" gelezen: „door den betrokken ambtenaar van den dienst van het toezicht".

5e. In artikel 106 en in artikel 155, 8e lid, werd in de plaats van „den Hoofdinspecteur der spoor- en tramwegdiensten" gelezen: „het hoofd van den dienst van het toezicht".

Sluiten