Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen de standplaats van krijgsraad en auditeur eenerzjjds, en de garnizoenen, (garnizoens-commandanten, officieren-commissaris, justiciabelen, verbalisanten, benevens getuigen) anderzijds aanmerkelijk kleiner werd, hetgeen te zwaarder weegt, gelet op den beperkten treinenloop destijds.

Beide prae-adviseurs zijn slecht te spreken over de wijze waarop de instructie — het vooronderzoek — door officieren-commissaris is gehouden. Mr. van Slooten stelt het langzame tempo van de berechting van de zaken op rekening van de instructie, het vooronderzoek door officieren-commissaris.

"Voorzeker, behalve aan de vele noodzakelijke overplaatsingen van troepenafdeelingen en van personen, verlof of afzwaaien, rogatoire commissies aan rechters-commissaris, onderzoekingen in de bevolkingsregisters, en wat dies meer zij, was het langzame tempo van de berechting van de zaken voor een deel te wijten aan de wijze, waarop de vooronderzoeken zijn gehouden. Mede in verband met het steeds hooger opvoeren van de legersterkte, werd het aantal „garnizoenen", in den zin der wet, steeds grooter, en dit was één der redenen welke het zeer bezwaarlijk maakten tot officieren-cotamissaris bij voorkeur hen, beroepskapiteins, te benoemen, die daartoe uit hoofde van dienstervaring in de eerste plaats in aanmerking komen, in acht te nemen het ter zake gestelde in de artikelen 21, 22 en 29 Regtspleging bij de Landmagt. Hier aan werd eenigermate tegemoet gekomen door het, met al te ruime wetsinterpretatie, kunstmatig scheppen van groote garnizoenen, de legeringsgebieden van heele divisiën.

Maar ik wil toch ook nog een ander geluid laten booren. Wat zegt men van het navolgende? In eene hoogst eenvoudige zaak werd het bevelschrift, met telastlegging, tot bjjeenroeping van den krijgsraad, uitgevaardigd in Februari j.1.; beklaagde stond terecht voor den krijgsraad in April d.a.v.; het vonnis werd gewezen in Juli d.a.v. en eerst ter approbatie ingezonden, naar ik mij herinner, ongeveer half September Een beduidend aantal vonnissen, gewezen in 'de eerste maanden van dit jaar, bereikten het Hof eerst in de tweede helft van September.

Dit voor oogen hebbende, meen ik dat gebleken fouten te veel op rekening van officieren-commissaris zijn gesteld, en dat de critiek door Mr. de Boer op hunne werkzaamheid uitgeoefend, in hare algemeenheid ongetwijfeld veel te forsch is.

Ik wensch hier nog naar voren te brengen, dat bij vermeerdering van het aantal krijgsraden de auditeurs gelegenheid zouden hebben bekomen aan de garnizoenscommandanten meer uitgewerkte adviezen (art. 11 Regtspleging bij de Landmagt), zooals wij die in vroegere jaren gekend hebben, uit te brengen; voorts zouden zij, althans wanneer het moeilijke gevallen gold, menigmaal bij het vooronderzoek tegenwoordig hebben kunnen zijn. Ik geloof niet, dat er in de practijk thans iets terecht is gekomen van de nuttige voorschriften, vervat in de artikelen 24, 41, 42, 78, 83 en 88 van de Regtspleging

Sluiten