Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bij de Landmagt. Ook zou bij vermeerdering van het aantal krijgsraden de toepassing van art. 163 Regtspleging bij de Landmagt veel minder bezwaar hebben ontmoet. Een aanwijzing hiervoor van niet geringe beteekenis is te vinden in de uitspraak van Mr. van Slooten — de Haagsche krijgsraad had veel minder zaken te behandelen dan de beide andere krijgsraden —, die zich volkomen kan vereenigen — vergelijk blz. 21 ') prea-advies — met de uiteenzetting in het Voorloopig Verslag over-de Justtfciebegrooting 1919, welke uiteenzetting o.m. inhoudt, dat de militaire rechter in bepaalde zaken het initiatief, bedoeld in meergenoemd artikel, frequent uitoefent. (Zie daarentegen bij Mr. de Boer blz. 43, laatste zin.)

In het begin van het mobilisatietijdperk was het met de criminaliteit in het leger bijzonder gunstig gesteld, en juist in die dagen bestonden er veel krijgsraden, misschien wel een vijftiental.

Ingevolge het gebiedend voorschrift van art. 40, eerste lid van de Oorlogswet waren toch in Augustus en September 1914 temporaire krijgsraden gevestigd in Axel, Vlissingen, Neuzen, Velsen, dm Helder, Brielle en in de provinciën Noord-Brabant en Overijssel. De gedeelten des lands, verkeerende in staat van beleg, werden al grooter en grooter en zoo zouden wij geleidelik en automatisch zeer vele, te veel temporaire krijgsraden hebben bekomen; temporaire krijgsraden, welke plaatselijk menigmaal in geenen deele naar den eisch geoutilleerd zouden kunnen worden. Daarenboven werd vermeend, dat art. 40, eerste lid, uitsluitend toepassing zou mogen vinden, wanneer de plaatsehjke omstandigheden van dien aard waren, dat de berechting door gewone krijgsraden, gevestigd in bepaalde steden, niet gehandhaafd kon worden.

In de Memorie van Toelichting van de in wording zijnde wet tot herziening ran de Oorlogswet wordt betoogd: „Gedurende den korten „tijd, dat in 1914 art. 40 van toepassing is geweest, is gebleken dat „de competentie der temporaire krijgsraden onvoldoende geregeld is."

Hoe het zij, de Wet van 16 October 1914 (Stbl. n°. 490) heeft art. 40, eerste lid, der Oorlogswet buiten werking gesteld: „ Zoolang „oorlogsgevaar aanwezig is in den zin waarin dat woord in 's Lands „wetten voorkomt en het land niet in oorlog is geraakt."

Intusschen waren, ook uit het oogpunt van legercriminaliteit, andere toestanden ingetreden; eerst vrij geleidelijk, en vervolgens in een steeds sneller wordend tempo nam het aantal strafzaken tde. Reeds in het voorjaar 1915 constateerde de Minister van Justitie in een aan de auditeurs gericht schrijven, dat gevaar „voor stagnatie „in de afdoening van zaken dreigde."

Art. 40, eerste lid, Oorlogswet, buiten werking gesteld; krijgsraden te velde en temporaire krijgsraden niet bevoegd recht te spreken, vóór en aleer feitelijk de oorlogstoestand is ingetreden; ingevolge

') Hier en verder wordt verwezen naar de pagineering van de afzonderlijke prae-adviezen; deze.getallen moeten met 32 vermeerderd worden om de gedeelten waarnaar verwezen wordt te kunnen vinden in het M.R.T. deel XV.

K.

Sluiten