Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men art. 123 van de rechtspleging bij de zeemacht leest, dan zou men zeggen, dat de zaak bij het oude gebleven was; maar leest men art. 26 dier wet, dan zal men bemerken dat er reden is om aan te nemen dat 'de wetgever zich heeft voorgesteld dat er binnen het Rijk in Europa, behalve maritieme directies, ook een vloot, eskader of minder smaldeel, kon zijn onderworpen aan de rechtsmacht van den krijgsraad aldaar.

Wat de wetgever eigenlijk bedoeld heeft met een vloot, eskader of minder smaldeel binnen het Rijk.in Europa is mij tot September 1914 toe niet duidelijk geweest.

Men zou zoo zeggen: zoo'n vloot wordt niet samengesteld om binnen het Rijk in Europa te blijven, maar om, als het pas geeft, daarbuiten te gaan. Daar ligt haar taak. Maar in September 1914 werd samengesteld een kustdivisie, bestaande uit pantser- en pantserdekschepen met de noodige torpedobooten. Dat eskader was bestemd om binnen de territoriale wateren op te treden, dus binnen het Rijk in Europa. . . . ,

Met gebruikmaking van art. 20 kon aan die divisie een meer bescheiden plaats in de maritiem-militair-rechterlijke organisatie worden aangewezen. De divisie-commandant kon volstaan met een oiiicier-commissaris en een secretaris aan te wijzen en de zaken te» verwijzen naar den zeekrijgsraad te Willemsoord.

Die divisie heeft slechts kort bestaan. Er is nooit een zaak door den divisie-commandant naar den zeekrijgsraad verwezen.

Later is een scheepsmacht op de Schelde geformeerd. Ook die vloot was geheel voor binnenlandschen dienst bestemd. Daar heeft men zich van de wet niet bijzonder veel aangetrokken. De divisiecommandant heeft nooit een zaak naar den krijgsraad verwezen, nog veel minder heeft hij een officier-commissaris en een secretaris benoemd. De zaak is haar ouden gang blijven gaan, en dit terwijl nagenoeg alle zaken, ■ welke buiten Willemsoord voorkwamen, in dit rechtsgebied voorvielen. Al die zaken werden door den commandant der Marine te Hellevoetsluis, later te Middelburg, naar den krijgsraad verwezen en de officier-commissaris te Hellevoetsluis, later te Middelburg, instrueerde die zaken.

Dat dit zoo'geloopen is, betreur ik, met het oog op een goeden loop van het onderzoek allerminst, maar de wet werd niet geob-

"Trdeed zooeven reeds opmerken, dat de zeemacht niet heeft een afzonderlijke rechterlijke organisatie voor vredestijd en T™^?™; tijd, ook niet voor den tijd, waarin een oorlog dreigende is. Dbt heelt het groote voordeel dat de militaire justitie haar taak kalm kan blijven vervullen, niettegenstaande alles in het rond eenigszins op losse schroeven komt te staan. En zoo is het dan ook inderdaad geschied: de zeekrygsraad is in 1914 kalm blijven doorwe^kem

Is het vermoeden van den eersten prae-adviseur juist, dat geduren de den mobilisatietijd van de militair-rechterlijke organisatie bij de ÏTclïpen krachtproef is gevorderd? Vergelijkt men het aantal

Sluiten