Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mueiïng van de militaire autoriteit niet meer noodig. Dc krijgsraad nam de behandeling dadelijk over, (vergelijk de artikelen 274 en 289 van de Rechtspleging bij de Landmacht, oud).

iToen nu in 1912 regel werd wat vroeger uitzondering was geweest, — nl. dat ook voor gewone omstandigheden een permanente krijgsraad werd ingesteld —, had men ook het systeem van de uitzondering tot regel moeten verheffen, te weten: den krijgsraad zonder bemoeienis van de militaire autoritiet moeten laten werken. Dan had men eene regeling kunnen treffen als nu getroffen is in de artt. 255 en 268 R. L. (nieuw), hierop neerkomende, dat na afloop van de instructie de officier-commissaris rapporteert aan den auditeur-militair, die zulks aan den beklaagde doet aanzeggen met opgave van het te laste gelegde feit.

Mijnheer de Voorzitter! Ik ben nu vrijwel aan het einde gekomen van mijne opmerkingen en beschouwingen. Voor de ingewijden in marine-aangelegenheden, zullen zij geen openbaring en voor de andere toehoorders niet van bijzonder veel belang geweest zijn. Toch meende ik, dat een beknopt overzicht van maritiem-justitieele aangelegenheden in verband met de mobilisatie op dezen eersten militairen juristendag niet achterwege mocht blijven.

De heer G. j. W. Koolemans Beunen:

Mijnheer de Voorzitter!

Ik moet mij rangschikken onder de zoogenaamd naleven, die meenen, dat de volkenbond, al is het dan ook een volkenbond in embryo, binnen weinige jaren tot ontwapening zal moeten leiden, en zie in mpn gedachten het Nederlandsche leger binnen afzienbaren tijd teruggebracht tot een politieleger, naar ik hoop, zonder dienstplicht, ter sterkte van ten hoogste Vio gedeelte van wat de sterkte van het Duitsche leger mag zijn. In overeenstemming daarmede voorzie ik in de eerste eeuw voor ons geen oorlog, en zou ik het dus onnoodig kunnen achten, om over oorlogsorganisatie van krijgsraden te spreken. Maar ik weet ook zeer goed, dat geen mensch de wijsheid in pacht heeft, en dat mijne meening dus wel eens glad verkeerd zou kunnen blijken. Daarbij een oud-cavalerie-paard wil nog wel eens trachten mee te rennen, als het den aanval hoort blazen; en nu de heer van Slooten mij, om nog een oogenblik bij dat beeld te blijven, als het ware uit den stal gelokt heeft, heb ik geen weerstand kunnen bieden aan den drang om te beproeven, of ik de tegenwoordige raspaarden van het militair recht nog kan bijhouden.

Toen ik het geheel, dat de heeren prae-adviseurs ons hebben voorgelegd, had overzien, kwam ik tot de conclusie, dat het eene groote kunst is, daarover maar een kwartier te spreken. Stof voor een paar uur ligt daarin wel opgehoopt. Die stof in dien korten tijd geheel te verwerken is onmogelijk. We moeten ons dus bepalen tot enkele punten, en zelfs deze hier en daar alleen maar aanstippen.

De hoofdzaak is, dat geen voldoende oorlogsorganisatie van de

2

Sluiten