Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tijd tot zijne aanvoering geroepen worden, hij daarop evenzeer kan vertrouwen. Officieren van andere wapens zijn ook zijne meerderen; als de infanterist den artillerist, den cavalerist, den genist, den pontonnier, ja, welk wapen of dienstvak ook, in zijn nabijheid weet, dan is zijn vertrouwen nog grooter dan wanneer hg alleen staat. Het gepensionneerd worden ontneemt dit vertrouwen niet. Ik zou op generaal Van Swieten of op Von Hindenburg kunnen wgzen; maar elk gepensionneerde, die niet slecht voor zijne minderen is geweest, heeft de ondervinding, dat zijn vroegere ondergeschikten, als zij hem ontmoeten, hem steeds met achting en eerbied behandelen. Admiraal Fabiu*, als ik mij goed herinher, vertelde indertijd in de Tweede Kamer, dat hij altijd met Nieuwjaar of op zijn verjaardag nog gelukwenschen ontving van matrozen, die hij vroeger meermalen voor 't rooster had moeten brengen.

Ik meen ook te mogen zeggen, dat in 't algemeen gesproken het officierskorps er geen bezwaar in zal zien, dat gepensionneerden hunne plaats in de rechtzaal innemen. De militaire begrippen worden in onzen diensttijd wel zoo bij ons ingeleefd, dat die met de pensionneering niet veel wijziging ondergaan.

Nu nog een punt, waarom ik Mr. van* Slooten, zeer dankbaar ben. Evenals Mr. Veegens in mijn desertie-strijd uit mg'ne jonge jaren, is hij de eerste jurist, die mij komt bijvallen in de uitlegging van de artt. 15—18 (nu artt. 17—20) van de Regtspleging bij de landmacht, zooals ik die sinds 1881 heb voorgestaan en bij elke vóórkomende gelegenheid opnieuw heb verkondigd. Ik kan niet nalaten, om ook deze gelegenheid even aan te grijpen, om nog een daartegen aahgevoerden grond te bestrijden, al spijt het mij, dat ik in die bestrijding tegenover mijn vrienden Collette en Van Dijk sta. Voor de heeren, die niet dadelijk weten, waar het om gaat, zal ik even de hoofdartikels van de reclame-regeling voorlezen:

Art. 17. Indien een gearresteerde of krijgstuchtelijk gestrafte zich over het arrest of over de hem opgelegde straf of over de omschrijving van de strafreden of wel over beide bezwaard vindt, zal hij daarover zijne klagten alsdan kunnen inbrengen, en zelfs mogen verzoeken, dat de zaak door een krijgsraad worde onderzocht. •

Art. 18. Wanneer, ten einde als voren, het onderzoek van den krijgsraad verzocht wordt, zal de Commandeerende Officier zulks niet mogen weigeren.

Art. 19. De krijsraad zal vervolgens de zaak moeten onderzoeken en, indien dezelve des klagers klagten wettig bevindt, zorgen dat aan hem het geleden ongelijk behoorlijk gebeterd worde.

Nu beweren beide genoemde heeren in hunne in 1901 uitgegeven „Handleiding voor de Militaire Rechtspleging" op blz. 85, dat inde reclame-zaken de militaire rechter oordeelt riiet als strafrechter, maar als disciplinaire autoriteit en herhalen dit nog eens op blz. 87.

Dat is wel gemakkelijk neergeschreven, maar als bun gevraagd wordt: wil zoo goed zijn dit uit de letter of uit de geschiedenis der wet te bewijzen, dan zullen zij het antwoord moeten schuldig

Sluiten