Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nagekomen, over aan den burgerlijken rechter, die voldoende in staat is, die zaken te behandelen en een behoorlijk vonnis te wijzen.

De man, die de verantwoordelijkheid voor het bevel draagt, behoeft niet tevens rechter te zyn.

Aanvoerder en rechter handelen beiden op grond van den volkswil, maar ieder aan zijn eigen taak.

De heer 'Me. W. M. van Lanschot:

Mijnheer de Voosrzitter!

•Cedant arma togae! Na de philippica van den geachten vorigen spreker tegen de juristerij zij het aan een burger-president van een krijgsraad vergund enkele opmerkingen te maken.

Indien het mij nu geoorloofd is in het kort mijne meening mede te deelen over de vraag: in hoeverre heeft de militair-rechterlijke organisatie in den mobilisatietijd voldaan? dan zou ik zeggen, dat het bewijs is geleverd, hoe verouderde regelingen met wat goeden wil en met eendrachtige samenwerking nog niet zoo heel slecht hebben voldaan.

Dien goeden wil heeft de krijgsraad van 's-Hertogenbosch — naar bekend is het college, dat het meest met werk overladen is geweest — ondervonden van de zijde van den Minister van Justitie, die de moeilijke positie toonde te begrijpen, waarin dit college (door een vertienvoudiging van het werk gebracht was en de uitbreiding van het personeel ter secretarie krachtig bevorderd heeft, van de zijde van het Departement van Oorlog, waar men met groote bereidwilligheid, aan mijne wenken om den goeden gang van zaken te bevorderen, in circulaires, aanschrijvingen en ook legerorders gevolg gaf.

Dien goeden wil heeft de krijgsraad ten slotte vooral mogen ondervinden, van het Hoog Militair Gerechtshof, dat — het zij gezegd zonder misplaatste vleierij — onder de zeer gewaardeerde leiding van zijn voorzitter, de groote lijnen trekkend van de rechtspraak, nochtans zijn souvereine positie tegenover de krijgsraden zoo ruim wist op te vatten, dat deze colleges gelegenheid hadden, hun inderdaad zeer moeilijke taak met gepaste vrijheid te volvoeren.

Ik voor mij heb dan ook nooit het knellende gevoeld Van de wenken die de krijgsraad van 's-Hertogenbosch zoo nu en dan ontving uit Utrecht; integendeel, ik ben er van overtuigd, dat de regeling der approbatie; de vrijheid, welke het Hoog Militair Gerechtshof heeft om den krijgsraden den weg te wijzen, gedurende de mobilisatie van onschatbaar nut is geweest voor den geregelden gang van zaken in het algemeen en de uniformiteit van de jurisprudentie in het bijzonder.

Van beide prae-adviezen, welke ons zijn geworden, staat het eerste in majeur, het andere in mineur getoonzet. Ik, schaar mij ten dezen zeer beslist aan de zijde van mijn optimistischen collega uit 's-Gravenhasre.

3

Sluiten