Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de zoo uitnemende prae-adviezen, welke bijzonder mijne aandacht trokken en verder om aan de hand dier adviezen enkele punten, speciaal de marine betreffende naar voren te brengen, het laatste omdat de rechtsspraak bij dit deel der weermacht — om overigens, gelet op de functies der geachte prae-adviseurs, begrijpelijke redenen — wel zeer sober behandeld is.

Op blz. 8 van zijn prae-advies is Mr. van Slooten de meening toegedaan dat het veel moeilijker is de tucht te handhaven bij een leger te velde dan in een leger in de vredesgarnizoenen. Ik betwijfel de juistheid hiervan, reeds om deze reden dat de werkzaamheden te velde veel drukker zullen zijn dan in de garnizoenen en waar gewerkt wordt — het is een eeuwenoude waarheid en eenige regels later wordt er in het prae-advies dan ook op gewezen — biedt de handhaving der tucht in den regel geen bezwaar.

Volkomen terecht, bij herhaling en met nadruk, wijst de geachte adviseur erop dat de militaire rechtspraak, ter handhaving van orde en tucht, krachtig en snel moet werken en daarbij vooral het oog gericht moet houden op de generale preventie. Dit laatste — zegt hij — kan bereikt worden door snel straffen of door zwaar straffen. Ik zou er bij willen voegen of door beide. Of nu het opleggen van zware straffen — gelijk ik verder lees — voor den rechter zoo gemakkelijk en geen kunst is, staat echter te bezien. Mij dunkt het uitspreken eener zware straf drukt veel ernstiger het verantwoordelijkheidsgevoel dan het toemeten van eene lichte bestraffing. Ik vindt dit veel gemakkelijker. In hoever nu de militaire rechter er na de mobilisatie in geslaagd is de juiste strafmaat te vinden, is buitengewoon moeilijk te zeggen. Gemakkelijker is de beantwoording der vraag of de rechtspraak snel en /prompt heeft gewerkt. En hierin nu meen ik dat de militair-rechterlijke macht —■ ook ten aanzien der zèemacht — zeer bepaald is tekortgeschoten. Ik bedoel hiermede geenszins een verwijt aan de militaire rechters.. Gedeeltelijk is de reden te zoeken in de wet, nog verergerd door de herziening van 1912, doch de hoofdreden ligt in de omstandigheid dat der militairrechterlijke macht na de mobilisatie een taak op de schouders werd gelegd, die te veel omvattend was, zij kon die onmogelijk sneller vervullen dan zij gedaan heeft en wat zij in de jaren heeft afgedaan, stemt tot diepe bewondering. Maar de organisatie deugde niet, de wetsvoorschriften zijn te veel verouderd. Tusschen den datum van het gepleegde feit en die der onherroepelijke veroordeeling was de tijd veel en veel te lang. Gedeeltelijk moge de reden hiervan gezocht worden bij de instructie, meer echter nog deed zich het euvel gevoelen als eene appèlbehandeling volgde. Gewoonlijk was de straf gedelgd door de preventieve hechtenis. Groote practische moeilijkheden voor den dienst deden zich voor, vooral als de beklaagde op vrije voeten was. Van generale preventie was geen sprake meer. Wil men een „schlagend" voorbeeld: Het bekende oproer in de Kromhoutkazerne te Utrecht had plaats 2 Mei 1918, het krijgsraadvonnis was van 11 September d.a.v., de sententie van het H. M. G. draagt als dag-

Sluiten