Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voldaan. De heeren prae-adviseurs oordeelen in het bijzonder ovei de toestanden bij dè landmacht, doch onder het groot aantal dossiers dat Mr. •de Boer onder de oogen heeft gehad, zullen ook wel verscheidene van de zeemacht afkomstig zijn geweest. En dan zoude ik de vraag willen stellen - en wellicht zouden ook leden van het Hoog Militair Gerechtshof hierop een antwoord kunnen geven — of het "oordeel even ongunstig luidt ten aanzien van het werk van de officieren-commissaris en de secretarissen bij de zeemacht.

Die vraag is ook hierom van belang, omdat, indien het antwoord ontkennend mocht luiden, hetgeen ik niet onmogelijk acht, alsdan daarin voor het Departement van Oorlog, eene vingerwijzing gevonden kan worden, langs welken weg verbetering in de militaire justitie ook bij de landmacht zoude kunnen worden bevorderd. Mr. de Boer wijst er reeds op, dat de juridische opleiding bij de Marine gunstig afsteekt bij die van de landmacht. Dit gunstig verschil wordt vooral bereikt doordat bij voortduring eenige marine-officieren in de gelegenheid - worden gesteld om aan eene universiteit de colleges, in het bjjzonder die van publiek recht te volgen. Beide prae-adviseurs spreken echter minder juist van een cursus te Amsterdam; de officieren volgen toch de gewone colleges en zijn zelfs vrij om dit te doen aan de universiteit hunner keuze. Aanvankelijk geschiedde dit dan ook te Leiden, doch toen de Amsterdamsche hoogleeraar in het strafrecht optrad als lid der commissie ter beoordeeling of aan de gestelde eischen voldaan was, lag het voor de hand dat men ook daar ging studeeren. En nu sinds een paar jaren aldaar ook een lectoraat in het militaire strafrecht in het leven is getreden, is zeker Amsterdam de aangewezen plaats voor de studie van den militairen jurist.

Gelijk bekend, mijnheer de Voorzitter, bestaat er thans voor dè zeemacht in Nederland slechts één krijgsraad, resideerende te Willemsoord, gemeente Helder. Ofschoon een goed deel van de vloot in het Zuiderfrontier, met name te Hellevoetsluis en Vlissingen gestationneerd was, heeft deze toestand, ook gedurende de mobilisatie, tot geene overwegende bezwaren aanleiding gegeven. Ware intusschen de werkelijke oorlogstoestand ingetreden, dan zouden groote moeilijkheden ontstaan zijn, daar alsdan toch de communicatie tusschen het zuiden des lands en den Helder zeer waarschijnlijk spoedig verbroken, althans in hooge mate onzeker zoude zijn. Hierin zoude zijn te voorzien doordat de Kroon van hare bevoegdheid gebruik kon maken om nog een tweeden zeekrijgsraad in te stellen of wel door dat de z.g. temporaire krijgsraden konden optreden.

In het laatste geval doet zich echter weer de vraag voor welke de verhouding zoude zijn tusschen deze laatstgenoemde krijgsraden en den gewonen zeekrijgsraad. Toen de stelling van den Helder bij Kon. besluit van 8 September 1914 in staat van beleg werd verklaard, is aldaar een temporaire krijgsraad benoemd. Hield daarmede nu de bevoegdheid van den vasten zeekrijgsraad op? Tevergeefs zal

Sluiten