Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De heer Van Lanschot: Zoo sterk heb ik het niet gezegd.

Dé heer, de Boer : (De heer van Lanschot heeft dan niet gezegd: heel goed, maar toch wel: goed. Het is een verschil van appreciatie, waarover heel moeilijk te debatteeren is, maar ik geloof niet, dat ik mij in mijn prae-advies ten opzichte van het voor-onderzoek te sterk heb uitgelaten. Ik wil niet zeggen, dat al die processen-verbaal van getuigenverhooren onzin hebben ingehouden, maar ik noem een voor-onderzoek al niet behoorlijk geleid, wanneer in het proces-verbaal niet juist staat, althans wanneer het niet een indruk geeft van wat de beklaagde of de getuige heeft verteld. Men moet, wil men \an een goed voor-onderzoek kunnen spreken, uit de verklaringen kunnen opmaken de juiste strekking van wat de man heeft verteld. En nu is mijn ervaring, dat zeker in 9 van de 10 gevallen eenvoudig de verklaring van beklaagde of getuige werd pasklaar gemaakt voor de verwijzing en men dus niet kan oordeelen, welke waarde men heeft te hechten aan een dergelijk proces- verbaal, zonder een nieuw verhoor te houden. Ik heb zelf wel medegemaakt, dat de krijgsraad een nader getuigenverhoor heeft gelast en ik herinner mij eene zaak, waarin de krijgsraad te 's Bosch niet minder dan 6 getuigen deed dagvaarden, nadat de zaak al aanhangig was gemaakt. Maar. ik ben er van overtuigd, dat de krijgsraden veel te veel naar de aanwezigheid van het formeele bewijs hebben gezocht, zonder te vragen, hoe dit bijeen was gebracht. En ook het bewijsmateriaal, waarvan voor de bewijsconstructie geen gebruik werd gemaakt, is ten onrechte zeer dikwijls eenvoudig op zij gezet. Toch heeft dat, al is het ondeugdelijk, invloed op het vonnis. Allerlei getuigenverklaringen, die op onvoldoende wijze zijn afgenomen en niet voor de bewijsconstructie worden gebruikt, worden door den rechter gelezen en vormen zijne overtuiging in eene bepaalde richting. Geven zij niet juist weer, wat inderdaad is verklaard, dan is dus die overtuiging, ook onjuist gevormd. Om al deze factoren is de noodzakelijkheid ter terechtzitting een nieuw onderzoek in te stellen eene quaestie van vertrouwen in den officier-commissaris. Houdt men vol, dat de instructie over het algemeen goed is geweest, dan kan ik het tegendeel natuurlijk niet bewijzen; ik zou wel duizenden fouten kunnen noemen, die door den officier-commissaris zijn gemaakt, maar ik erken, dat dit nog geen bewijs zou zijn en moet dus volstaan met mijne meening te dezen aanzien onverzwakt tegenover die van den heer van Lanschot te stellen. .

Ik meen dus, dat het noodig is, om, wanneer men overtuigd is, dat het getuigenverhoor bij den officier-commissaris niet behoorlijk is geleid, nog eens op de zitting die getuigen te laten komen en— de sprekers, die daarover met mij in debat zijn getreden, zullen dit met mij eens zijn — dat is in verreweg de meeste gevallen met gebeurd. Of nu het resultaat, dat desondanks verkregen is, goed mag worden genoemd, is natuurlijk evenmin met zekerheid te zeggen. Men kan nooit zeggen: wanneer ik dien getuige had laten komen, zou de uit-

Sluiten