Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het driehoekig stukje grond aan de overzijde van de aan te leggen straat werd nu verkocht voor ƒ5500, terwijl het gebouw met den overgebleven tuin aan enkele bouwondernemers werd verkocht voor ƒ 60000.

Het College van Regenten had dus na verkoop van het gebouw in de Nobelstraat te beschikken over een kapitaal van ƒ 98000 en kon daardoor zijnen wensch verwezenlijken, een opzettelijk voor hun doel ingericht gebouw te bezitten. (Bulletin 1886, bladz. 70.)

Na gehouden besprekingen hechtte het Hoofdbestuur zijne goedkeuring aan het besluit der Regenten, eene prijsvraag uit te schrijven, nadat eerst de eischen, die men aan eene nieuwe inrichting moest stellen, waren bepaald.

Om alle deskundigen in de Loges in de gelegenheid te stellen mede te dingen of hun oordeel er over uit te spreken, zonden Regenten deze prijsvraag met alle nadere inlichtingen aan alle Loges.

Mededeeling werd gedaan, dat de jury van beoordeeling zou bestaan uit de Heeren J. H. Kromhout, generaal-majoor, inspecteur van de Genie en L. H. Eberson en J. C. van Wijk, architecten te Arnhem en te Rotterdam. (Mac. Weekblad 20 Dec. 1886.)

In alle Loges werd deze prijsvraag besproken, terwijl de behandeling ervan voor velen een reden was tot het rondzenden van eene circulaire, waarin de bezwaren tegen de plannen van Regenten werden uiteengezet, en voorstellen werden gedaan tot wijziging.

Bij rondschrijven van 12 Maart 1887 gaven Regenten een algemeen antwoord op de circulaire van deze Loges.

De voornaamste grief was wel, dat men het plan voor 32 kinderen te klein vond, men noemde die ruimte «veel te eng», het getal «te gering». Men wenschte een «veel grooter getal» en sprak zelfs van 2 X 32 pleegkinderen, ja wenschte zelfs eene inrichting voor 75 weezen.

Veel was hier niet op te antwoorden, daar de Statuten, goedgekeurd op het Grooi-Oosten van 1886, in art. 16 bepalen: «Het maximum der in het gesticht op te nemen kinderen is 30». (Rulletin 1886, bladz. 328.)

Dit maximum van dertig kinderen is niet willekeurig genomen. Wil men de Louisa-Stichting doen blijven wat zij is, zoo schreven Regenten, een opvoedingsgesticht, dan moeten de kinderen staan onder onmiddellijk toezicht van directeur en directrice, daartusschen mogen geen «binnenvader», geen «binnenmoeder» of «linnenmoeder» plaats nemen. Eene goede opvoeding wenscht de Orde aan kinderen van overleden Broeders te geven, waarbij niet allen naar ééne formule worden behandeld, maar met ieders persoonlijke eigenschappen wordt rekening gehouden.

De wensch een opvoedingsgesticht te houden, was de eenparige wensch van al de leden der in 1885 benoemde commissie voor het ontwerpen van

Sluiten