Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

werk verdiepten kameraad plaats neemt. Tegen een der wanden is voor ieder der jongens een gesloten kastje tot eigen gebruik en tot berging van zijne snuisterijen, liefhebberijen of herinneringen, een bezit, dat hem eene zekére individualiteit waarborgt. Groot genoeg is het vertrouwen in hem gesteld, dat daarin geene ongerechtigheden eene schuilplaats zullen vinden, hij alleen heeft den sleutel en, wanneer hij eene enkele maal zijn eigendom moet openen, is dat niet om den inhoud daarvan te controleeren, maar alleen om vast te stellen, dat ook daar slordigheid niet wordt toegelaten. Boven die kastjes eenige stellen, meest Indische, wapens, eene serie van pleisterbeelden en modellen ter beschikking van die knapen, die lust en aanleg tot teekenen toonen, een aanleg, die gaarne wordt ondersteund en geleid zonder echter, daar waar die niet aanwezig is, te worden opgewekt. Van daar dwaalt de blik op eens af naar eene kooi met kanarievogels, de eerste dieren, die wij op onzen tocht tegenkomen. Want, zooals blijken zal, zijn er daarvan heel wat, alle medewerkende om de liefde tot het dier in het kinderlijk gemoed op te wekken en vast te houden en het zóó te leiden tot zachtheid en, hoe vreemd het ook oppervlakkig moge klinken, tot verantwoordelijkheid. Want, dieren mogen de kinderen hebben, bij wijze van spreken, hoe meer hoe liever, maar, zij hebben er voor te zorgen. Naast liefhebberij staat voor hen de verplichting van schoonhouden en verplegen. Dat geldt ook al voor den grooten, mooien waakof beter gezegd speelhond, die daar zoo even de deur met zijn neus openduwde, ook hij heeft zijn vasten oppasser en verzorger gevonden in den kuaap, die zich daartoe niet alleen vrijwillig aanbood^ maar vriendelijk om dien liefdedienst verzocht.

Het volgende vertrek is de zoogenaamde Kinderkamer, waar de zes- tot achtjarige kluiters hun speelgoed hebben en zich vermaken in den vrijen tijd en meer bepaald in de avonduren, die voor de grooteren tot het maken van hun schoolwerk bestemd zijn. Juist dat laatste leidde tot die bestemming, want het lachende leven en de vroolijke drukte, die ze, eer zij eene afzonderlijke speelkamer hadden, maakten, werd voor die grooteren de reden tot een: «zoo kan je niks uitvoeren»! door de kleintjes beantwoord met een: «hier mag je riiks spelen of doen»! Nu zijn beide partijen tevreden, er kan tegelijk gewerkt [engespeeld worden. Ook in déze kamer weer dieren, hier de slanke goudvïsclijes door hunne bewegingen de kinderen vermakend en opwekkend tot genegenheid. In hoofdzaak natuurlijk speelgoed. Een mooi poppenhuis, eene poppenwieg, met het oog op gevaar voor vallen niet veel meer op den vloer buiten de groote speelgoedkast, maar daarin dan ook zoo wat van alles, wat het jonge kind bezighoudt en verheugt. Ook daarin geen slordigheid, geen overhoopte rommel als in zoo menige particuliere speelgoedbergplaats. En wie zorgt daarvoor'? niemand anders dan de kleintjes zelve, ten minste op de

Sluiten