Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ENKELE OPMERKINGEN OVER DE OPVOEDING

IN DE LOUISA-STICHTING.

Niets wat zoo'n bitteren nasmaak heeft, als een zoete opvoeding.

EEN der leden van de Commissie, belast met de uitvoering der in 1868 aangenomen plannen, tot oprichting van een opvoedingsinrichting voor nagelaten kinderen van minvermogende Vrijmetselaren, zeide in een debat: «Wij willen geen weeshuis.» De bedoeling was blijkbaar; we willen geen inrichting, die eenigszins doet denken aan die, waar de persoonlijkheid van het kind verloren gaat in het geheel; want inderdaad is de Louisa-Stichting niet anders, dan een Maconniek tehuis.

Van den beginne af is getracht te ontkomen aan het uniforme, in enkele inrichtingen te vinden, waar niet op ieder kind afzonderlijk wordt gelet en alle zonder onderscheid naar vooraf bepaalde regelen worden opgevoed.

Het streven naar opvoeding van weezen in het gezin is te algemeen bekend om hier besproken te worden, doch het is misschien niet ondienstig iets te vertellen van het leven in de Louisa-Stichting, vooral om te doen uitkomen, dat niet in ieder gesticht de kinderen leven in die kille, koele atmospheer, waarvan soms gesproken wordt.

Het is hier misschien de plaats te herinneren aan de eerste stelling, die Ds. Pierson inzond op het Congres voor Kinderbescherming in April 1904, waarin hij zeide: «De normale opvoeding is die van goede ouders in de ouderlijke woning. Elke andere, hoe voortreffelijk ook, is abnormaal, daar zij het gevolg is óf van den dood óf van betreurenswaardige omstandigheden.»

Men kan dus vooropstellen, dat niet één stelsel van weezenopvoeding zonder gebreken is, en in de Louisa-Stichting is men zich dan ook wel bewust geen volmaakt werk te leveren, maar naar dat ideaal wordt toch gestreefd, zooals de Secretaris schreef in zijn verslag van 1907, en dit streven zal niet ijdel wezen.

Sluiten