Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

berekend. Het percentage veehouders, waar de ziekte uitbrak, moet dan betrekkelijk gering geweest zijn.

Nader blijkt dit uit het overzicht in tabel II (blz. 103), alwaar men vindt aangegeven bij welk percentage der veehouders in elke gemeente de ziekte onder het vee is uitgebroken. Ook hier staan wederom Noord-Holland, Zuid-Holland (veeartsenijkundig district Rotterdam) en Utrecht met onderscheidenlijk 34.87, 33.55 en 29.98 % bovenaan. Doch ook de provincie Friesland komt thans met deze gewesten op één lijn, aangezien aldaar 32.67 % der bedrijven blijkt te zijn aangetast. Hoewel de gemiddelde schade per veehouder, waar de ziekte uitbrak, in Friesland aanzienlijk achter blijft bij die in de drie eerstgenoemde provincies (immers + ƒ 427,— tegenover onderscheidenlijk + ƒ 800,—, j 792,— en ƒ 708,—) is wat het aantal bedrijven betreft in Friesland dus een ongeveer gelijk percentage als in Noord-Holland, Zuid-Holland (veeartsenijkundig district Rotterdam) en Utrecht ziek geweest; deze laatste provincie wordt te dezen opzichte zelfs door Friesland overtroffen. Dit verschijnsel toont aan, dat in Friesland de bedrijven in minder hevige mate door de ziekte zijn benadeeld dan in meergenoemde 3 gewesten.

Veel lagere percentages dan de evengenoemde worden te dezen opzichte voor de overige gewesten verkregen; zij blijven alle beneden de 2Ö%, in Drenthe zelfs beneden de 10%, n.1. 9.32%.

Tabel III (blz. 110 en vlg.) geeft een overzicht van het percentage dieren, hetwelk van de aangetaste bedrijven de ziekte heeft gehad.

Uit dit overzicht blijkt, dat in het onderzochte gedeelte van het Rijk op bedoelde bedrijven van de stieren gemiddeld 70 è 80 %• van de melkkoeien gemiddeld 95%, van het droogvee en de pinken gemiddeld 70 a 80%. van de kalveren gemiddeld 60 a 75%, van de schapen en lammeren een voor de verschillende provincies zeer uiteenloopend percentage (36 a 66%), van de varkens en biggen eveneens een zeer uiteenloopend percentage (20 a 53 %) door de ziekte is aangetast.

Bij nadere lezing van de gemeentesgewijze in tabel III opgenomen specificatie zal blijken, dat het voor alle evengenoemde rubrieken in gemeenten is voorgekomen, dat geen enkel dier van een of andere rubriek op de aangetaste bedrijven voor de ziekte gespaard is gebleven.

Uit tabel VI is, zooals boven bleek, af te leiden dat de gemiddelde schade in de onderscheidene gemeenten sterk uiteengeloopen heeft.

Een verder inzicht hierin wordt verkregen door tabel IV (blz. 117 en vlg.) alwaar men voor iedere gemeente en provincie de schade per aangetast dier soortsgewijze gerubriceerd weergegeven vindt.

Sluiten