Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Deze uitkomst wijst op eene aanmerkelijk hoogere schade, dan voor de epizoötie 1918/1919 voör hetzelfde district berekend werd. Het gemiddelde per aangetast bedrijf bleek immers toen ƒ792,16 te bedragen.

Intusschen moet bierbij in aanmerking worden genomen, dat thans speciaal bedrijven zijn onderzocht, waar de ziekte hevig geheerscht heeft en dat natuurlijk ook bij de epizoötie 1918/1919 in bepaalde bedrijven meer schade moet zijn geleden dan ƒ792,16, welk cijfer immers een gemiddelde is, verkregen uit een volledig onderzoek van het geheele district. Het gemiddelde van ƒ 3520,— voor de epizoötie 1920 heeft dus niet dezelfde objectieve statistische waarde als dat van ƒ 792,16 voor de voorafgegane epizoötie.

Ook uit andere gewesten zijn voorbeelden van bijzondere ernstige schade tengevolge van de epizoötie 1920 onder de oogen der Subcommissie gekomen. Veelal speelt dan voornamelijk sterfteschade een belangrijke rol. Zoo b.v. in Friesland, alwaar bij onderscheidene veehouders alle kalveren (o.a. 13, 20, 15 en 29 stuks) en ook vele pinken zijn gestorven.

Het is natuurlijk onmogelijk uit deze en andere partieele gegevens eene algemeene conclusie omtrent de mate der schade van de epizoötie 1920 te trekken. Toch geven de medegedeelde cijfers naar het oordeel der Subcommissie eene aanwijzing, dat de epizoötie 1920 hare voorgangster van 1918/1919 inderdaad, wat den omvang der schade betreft, nog verre heeft overtroffen.

Het is door Uwe Commissie wenschelijk geacht in de vraaglijst een slotvraag op te nemen, luidende: „welke maatregelen zijn door II genomen om de „schade te beperken? b.v. opstallen, geneeskundige behandeling enz."

Op verschillende lijsten is deze vraag beantwoord; alleen kon uit de antwoorden niet worden opgemaakt, welk resultaat met de maatregelen bereikt werd. Intusschen is van de antwoorden een overzicht samengesteld, hetwelk als bijlage aan dit verslag wordt toegevoegd. Het betreffende aantal veekoppels wordt in die bijlage telkens door getallen aangegeven.

Bij kennisneming van bedoeld overzicht blijkt dat in het algemeen groote waarde werd gehecht aan het opstallen der dieren; deze maatregel is bij 11887 veekoppels in toepassing gebracht, terwijl bovendien in 1873 gevallen gedeeltelijk opstallen van het aangetaste vee plaats had.

Veelvuldig werd het toedienen van krachtvoeder in praktijk gebracht, namelijk in 21520 der onderzochte gevallen, terwijl in 5800 gevallen veeartsenijkundige hulp werd ingeroepen. Dus het geheel of gedeeltelijk opstallen der aangetaste koppels, het verstrekken van krachtvoeder en heti;4nroepen van

Sluiten