Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

A22. Middel van A. DlKKEBOOM en Lr- kekers te weesp, geconiroicciu u^i den districtsveearts te Amsterdam, den heer J. A. KLAUWERS, die daarover het volgende bericht:

A. DlKKEBOOM, veehouder te Muiden, heeft in het laatst van 1919, toen onder zijn vee mond- en klauwzeer voorkwam, in samenwerking met den drogist R. REKERS te Weesp, zijn aanstaanden schoonvader, het middel samengesteld, dat in den loop van dit jaar nog aanmerkelijk moest zijn verbeterd. De behandeling heeft plaats op de volgende wijze:

Alle blaren worden zoo zorgvuldig mogelijk verwijderd en de ontstane wondvlakten met het middel, dat vloeibaar is, ingewreven, waarna een hoeveelheid van ± 1 Liter wordt ingegeven. De dieren moeten daarna ongeveer 12 uur op stal blijven en mogen gedurende dien tijd geen voedsel tot zich nemen. In den regel is ééne behandeling voldoende.

Op 3 Juni 1920 werd deze behandelingsmethode in tegenwoordigheid van ondergeteekende toegepast bij 8 koeien van de Wed. J. NAGEL te Weesperkarspel, waarvan er 1 op 31 Mei, 2 op 1 Juni en 5 op 2 Juni ziek waren geworden. Om de werkzaamheid van het middel te kunnen controleeren werd met DlKKEBOOM overeengekomen, dat verdere gevallen, welke zich in den koppel, groot 32 stuks, mochten voordoen, niet door hem behandeld zouden worden.

Bij mijn volgend bezoek op 9 Juli bleek echter, dat hij zich aan deze afspraak niet had gehouden, doch alle dieren, welke successievelijk ziek waren geworden, in behandeling had genomen. Daardoor was het niet mogelijk zich een juist oordeel over de werkzaamheid van het toegepaste middel te vormen.

Wat de 8 in mijne tegenwoordigheid behandelde koeien betreft, bij deze was het verloop der ziekte over het algemeen gunstig.

Met uitzondering van de Nos. 1 en 7. konden alle dieren binnen enkele dagen op de gewone wijze voedsel tot zich nemen. De Nos. 1 en 7 waren hiertoe eerst na resp. 14 en 7 dagen in staat.

Klauwzeer trad niet op en de melkproductie nam reeds spoedig na de behandeling toe.

Het valt te betwijfelen of het middel voor toepassing door de veehouders zelf in aanmerking zal kunnen komen, aangezien de zorgvuldige verwijdering van de blaren niet achterwege mag blijven.

Hoewel de veehoudster over de ingestelde behandeling zeer tevreden was, leed zij toch aanmerkelijke schade door het sterven van 35 biggen.

A 27. Middel van Mej. J. ENSING MEIJER te Weperpolder bij Oosterwolde, gecontroleerd door Prof. WESTER en den districtsveearts te Groningen, den heer W. TEN HOOPEN.

De Hoofddirecteur van de Rijkswerkinrichting te Veenhuizen, de heer

Sluiten