Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stal was geplaatst, pas op 21 April de eerste verschijnselen van tongblaar, dus 21 dagen nadat het eerste geval zich in den stal had voorgedaan. Deze koe was niet behandeld.

Van de 12 van den aanvang af in den vetstal aanwezige en door demonstrante behandelde koeien waren lijdende No. i en No. f. Zoodra zich bij één der aanvankelijk niet lijdende overige 10 dieren verschijnselen van tongblaar voordeden, werden deze opnieuw 3 dagen behandeld. Voorzoover mij bekend, geschiedde dit met dezelfde middelen, waarmede ze met ingang van 6 April 3 opeenvolgende dagen waren voorbehandeld.

De behandeling bestond in het ingeven van een poeder in een flesch water waarna tong- en mondslijmvlies werden ingewreven met een stroopenge massa, afgaande op reuk en consistentie bestaande uit stroop met poeder van aethensche zaden (fenkel en anijszaad). De onderbeenen en klauwen werden bovendien 2 maal daags nauwkeurig gereinigd met creoline-oplossing.

Ondanks de ingestelde voorbehandeling werden tegen de verwachting van de proefneemster 9 der 10 op 6 April nog met lijdende dieren door mond- en klauwzeer aangetast. Dit is aangegeven op bijgaanden staat. . , ... ,

Bij de 16 niet door Mej. Ensing behandelde contröle-koeien breidde de ziekte zich even langzaam uit als bij de door haar behandelde, zooals uit den bijgevoegden staat kan blijken. Ze werden alle door hetzelfde personeel gevoederd Zoodra ze ziekteverschijnselen vertoonden werden de klauwen schoongehouden met creoline-oplossing en ook af en toe neus en lippen gereinigd. Overigens werd geen

behandeling aangewend.

Toen een driedaagsche behandeling der ziek geworden proefdieren met het gewenschte succes had, beklaagde Mej. ensing er zich over, dat zij de koeien niet „heelemaal mocht uitwerken", waaronder zij een langdurige toepassing harer middelen verstond. Ik meende er haar attent op te moeten maken, dat dit met in overeenstemming was met de door haar gegeven verklaring, dat een driedaagsche behandeling voldoende was.

Zooals uit bijgaande staat II blijkt, werd bij Klara, één der 6 voorbehandelde, op 10 April in den vetstal geplaatste melkkoeien op 1 Apri tongblaar geconstateerd, dus 5 dagen nadat ze aan besmetting was blootgesteld. De tong vertoonde een groote wondvlakte, na bersting van de uitgebreide *»™<™* Dit is o.a. waargenomen door Prof. wester. De tweede volgde op 19 Apnl, de derde op 23 April. Op 24 April werd de contröle gestaakt omdat toen de I4 dagen, gesteld door Mej. ensing, verstreken waren. Nog kan worden ver meld dat op 3 Mei twee der zes in reserve gehouden voorbehandelde melkkoeien aan 'tongblaar leden. In den melkveestal was toen de ziekte nog pas eemge dagen waargenomen. Op 6, 7, 8, «3, 16. i7, *9 en 2! Mei bezocht ik «tt den stal terwiTop andere dagen mijn plaatsvervanger Dr. j. staal te Assen of diens

Sluiten