Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

assistent P. D. Wilders controleerden. Bovendien werd af en toe een veeopzichter er heen gezonden om te informeeren of er ook bijzonderheden waren. De AdjunctDirecteur van Landbouw, de heer A. HARTEVELD, volgde zelf met groote belangstelling de proef. Telkens werd met hem besproken, waar bijzonder op diende gelet te worden en het personeel, door hem geïnstrueerd, noteerde getrouw hetgeen werd waargenomen. Ook met de proefneemster ging ik herhaaldelijk de dieren na. Ze had steeds gelegenheid mede te deelen hetgeen zij van belang achtte. De totaalindruk was steeds dat er geen merkbaar verschil viel waar te nemen in het verloop der ziekte bij de behandelde en bij de controle koeien. Wel kreeg men den tweeden of derden dag bij de in behandeling genomen zieke dieren den indruk, dat ze uit eigen beweging gretiger voedsel opnamen dan de niet behandelde, doch dat verschü verdween na één, hoogstens twee dagen. In het verdere verloop viel het telkens op, dat de behandelde patiënten dagen lang bleven schuimbekken. In voedingstoestand hadden ze absoluut geen voorsprong. Door de creokne-behandeling werden klauwcomplicaties voorkomen. Toch waren de dieren wel gevoelig in de voeten. Ze lagen veel, prooentsgewijze minstens evenveel als de contróledieren. Bij beide rubrieken was één patiënt, die constant zeer slecht at.

Na 18 April werd de temperatuur m den stal abnormaal hoog. Onder den invloed daarvan nam bij meerdere koeien de eetlust merkbaar af. Omdat complicaties werden gevreesd, indien de dieren langer op stal bleven, werden ze 23 April naar de weide gebracht. Op 19 April liet ik meerdere koeien, zoowel behandelde als contróledieren, van stal trekken om te kunnen beoordeelen of in stand en gang merkbaar verschil was. Van beide rubrieken liet ik één koe liggen, omdat ze zeer pijnlijk waren met losgelaten klauwen. Beweging zou bij deze ongetwijfeld nadeelig op het genezingsproces hebben gewerkt. Bij de onderzochte dieren was geen verschil tusschen de door E. M. behandelde en de niet door haar behandelde. Onder de laatste was er één met een oppervlakkig etterige klauwontsteking.

Tot 15 April werden de koeien, van 6—9 April reeds preventief behandeld, hetgeen volgens verklaring van E. M. voldoende was, door haar opnieuw onder behandeling genomen, zoodra ze ziekteverschijnselen vertoonden. Eerst ontging mij dit, omdat ik bij de behandeling niet tegenwoordig was. De heer HARTEVELT verbood die tweede behandeling, zoodra hij ze ontdekte, tot mijn komst, om mij te laten beslissen. Voor de daarna ziek geworden koeien uit de rubriek I, de nummers 6, 7, 8, 9 en 10, stond ik geen tweede behandeling toe. Proefneemster moest toestemmen dat die beslissing in overeenstemming was met haar aanvankelijke verklaring.

Bij die dieren, waar ze wel is aangewend, heeft het verloop der ziekte zich niet gunstig onderscheiden.

No. 2, die ernstig leed aan klauwzeer, lag veel, kreeg aan het rechter-

Sluiten