Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren, die zoo goed als zeker reeds geïnfecteerd waren, doch nog geen symptomen der ziekte te zien gaven.

Hiervan zijn 2 kalveren gestorven.

Dit laatste resultaat was dus ook wel zeer bemoedigend; het deed reeds zien, dat de curatieve werking van het bloed ook niet te ontkennen valt en dat dus, indien de kalveren reeds geïnfecteerd zijn, de mogelijkheid hen m het leven te houden wel degelijk bestaat.

Ook vanwege het Instituut zijn door Dr. A. J. Winkel enkele kalveren op boerderijen ingespoten, doch het aantal was te gering en de omstandigheden niet gunstig genoeg om de waarde der bloedinspuiting met absolute zekerheid te bepalen.

Wel kon met groote waarschijnlijkheid bij 20 kalveren van 4 eigenaars, geënt op 27 Juni, 3 Juli en 18 Juli 1919 met een dosis van 100 c.c. bloed intraveneus het gunstige effect aan de werking van het bloed toegeschreven worden. Zij werden alle ziek, doch geen enkele stierf. Verder kon worden opgemerkt, dat in de eerste plaats de leeftijd der dieren een groote rol speelt, n.1. de oudere kalveren stierven in geringer aantal dan de allerjongste dieren. Bij de beoordeeling diende dus ook hiermede rekening te worden gehouden. Een zeer groot aantal dieren zou derhalve noodig zijn om de invloed van deze factoren bij de beoordeeling te kunnen elimineeren en de resultaten naar waarde te kunnen schatten.

Experimenten in 1920.

In 1920 kon met het voortzetten der experimenten reeds vroeg worden begonnen. Het was vooral de veearts D. M. Hoogland te Breuketen, die, aangemoedigd door de goede resultaten van 1919 met kracht de behandeling bij zijn cliënten aanried, zoodat hij al spoedig een goed inzicht kreeg in de werking van het bloed. De veehouders kwamen spoedig hulp vragen nadat de ziekte op hun erf was uitgebroken en ook wel wanneer de ziekte in de streek of buurt waar zij woonden zich openbaarde. Gunstig voor de toepassing der methode werkte mede het feit, dat de ziekte zich opnieuw, en in hevige mate voordeed in koppels, die in 1919 waren doorgeziekt en dat zelfs de kalveren van die z.g. „immune" moeders, in grooten getale stierven, bijna uitsluitend onder het beeld van een myocarditis al of niet gepaard gaande met blaarvorming in den mond en in het digestie-apparaat. Tegelijkertijd zijn vanwege het Instituut een aantal kalveren en biggen op verschillende boerderijen ingespoten, terwijl ook bij eenige runderen de behandeling is geprobeerd.

De heer D. M. Hoogland heeft zijn resultaten ter onzer beschikking gesteld ; zij zijn vooral van beteekenis, omdat zij zich over een groot aantal uitstrekken n.1. 1272 dieren. Het spreekt vanzelf, dat in verband met de enorme drukte, die de behandeling met zich medebrengt, niet van elke boerderij nauwkeurig de omstandigheden van infectie enz. konden worden opgenomen. Wel is dit geschied met de door

Sluiten