Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met 150 cc. bloed van genezen dieren, 2 kalveren met 150 cc. bloed van een rund dat nooit ziek was geweest, dus z.g. normaal runderbloed 2 anderen met 150 cc normaal paardenbloed, terwijl 2 als controle dienden.

De 4 eerstgenoemde kalveren zijn volmaakt gezond gebleven, 2 ervan zijn na 3 weken afgemaakt en vertoonden geen hartveranderingen of andere verschijnselen van mond- en klauwzeer.

Van de 2 kalveren met normaal runderbloed ingespoten, stierf er één na 5 dagen, de kalveren met normaal paardenbloed ingespoten, stierven beide; allen aan myocarditis.

Van de contróledieren stierf er één, de andere kreeg uitgebreide blaarvorming in den mond, doch leefde nog na 10 dagen. Het kalf is toen afgemaakt en vertoonde duidelijke veranderingen in het hart. Wij hadden hier te doen met een geval, dat waarschijnlijk bij goede verpleging tot genezing zou zijn gekomen.

Ook het in leven gebleven kalf, dat met normaal runderbloed werd ingespoten, is afgemaakt en vertoonde eveneens een vrij uitgebreid hartlijden.

Deze gevallen zijn zeer interessant en bewijzen, dat de dieren een hartlijden kunnen hebben, zelfs uitgebreide veranderingen aanwezig kunnen zijn, zonder dat ziekteverschijnselen zijn waar te nemen. Uit de practijk zijn dan ook vele gevallen bekend, dat de dieren steeds gezond waren en na het gulzig drinken of na hard loopen plotseling dood neervielen; de sectie verklaart dan het mystieke van het sterfgeval. Dat dieren met zulk een lijden kunnen herstellen is ook aannemelijk.

Bij deze tweede serie kunnen wij dus eigenlijk spreken van 6 contrólekalveren, die alle ziek zijn geworden en waarvan er 4 zijn gestorven.

Ongetwijfeld is het resultaat van beide series bewijzend voor de preventieve werking van het bloed van genezen dieren. Ook blijkt, dat normaal runder- en paardenbloed geen preventieve werking bezit in een dosis van 150 cc per kalf, welke hoeveelheid voldoende is voor bloed van genezen dieren afkomstig.

Serie III Van verschillende zijden werden minder gunstige resultaten van de bloedenting gemeld, welke m.i. in de eerste plaats toe te schrijven waren aan te kleine doseering. Daarom is een proef ingesteld om de doseering na te gaan.

Wederom werden 5 kalveren van 6 dagen oud hiervoor gebruikt, die op dezelfde wijze als in de vorige proef besmet werden, terwijl zij respectievelijk 50, 75, 100, 125 en 150 cc bloed kregen van eenige sedert 3 weken herstelde runderen.

Het dier, met 50 cc ingespoten, stierf na 2 dagen aan mond- en klauwzeermyocarditis, no. 2 (75 cc) werd ziek, bleef in leven en vertoonde bij slachting uitgebreide myocarditis, nos. 3 en 4 (100 en 150 cc) werden geslacht en vertoonden een normaal hart. No. 5 is niet afgemaakt. 3, 4 en 5 hadden zeer licht mondzeer, bij enkele zelfs hoogstens twijfelachtige verschijnselen.

Hieruit blijkt, dat een dosis van 100 cc in dit geval zeker noodig was.

Sluiten