Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een typisch geval zag hij, waarbij een zieke stier stond naast zeer jonge kalveren, die volop smetstof konden opnemen en waar slechts de helft der dieren geringe blaren kregen.

Bij verschillende veehouders, waar niet alle kalveren geënt werden, gingen een aantal der niet geënte dood, terwijl de geënte alle gezond bleven; b.v. bij G. oskam te Portengen, Th. Koppers te Portengen en H. matthes te Breukelen e.a. Nog een uit de vele frappante gevallen is het volgende: Gieltjesdorp is een buurt met 6 boerderijen. Op 5 boerderijen werden 49 kalveren geënt, waarvan slechts 1 kalf stierf (betrof noodenting).

Op de zesde boerderij werd niet geënt en van de 12 kalveren stierven er 10. Na de inspuiting kwamen nog al abcessen voor, die na opening en na doelmatige behandeling spoedig genazen. Door meer steriel werken, hetgeen met altijd gemakkelijk doorvoerbaar is (hierop kom ik bij de conclusie nader terug) worden de abcessen tot enkele beperkt.

De heer hoogland meent te hebben opgemerkt, dat kalveren lijdende aan navelontsteking zeer gepredisponeerd waren voor het krijgen van een abces op de plaats der inspuiting.

Resumeerende blijkt uit de voorafgaande proeven in de practijk, alsmede uit de experimenten in het Instituut genomen,

1» dat het gedefibrineerd bloed van runderen die ± 3 a 6 weken genezen zijn van mond- en klauwzeer, bij jonge kalveren ingespoten in een dosis van 75-*» cc voldoende beschuttende kracht bezit om de ziekte bij deze dieren geheel te voorkomen of in elk geval de sterfte, die door het mond- en klauwzeer juist onder de jonge kalveren tijdens bepaalde epizoötiën zoo hevig optreedt, tot een minimum te beperken.

2' dat de curatieve waarde zeer gering is, zoodat de inspuiting moet geschieden zoo spoedig mogelijk nadat de dieren aan de besmetting zijn blootgesteld.

3° dat ook de sterfte bij biggen kan worden voorkomen, indien de dieren niet te jong zijn en de infectie niet te hevig is (b.v. doordat de moeder ernsüg ziek is en o.a. blaren aan de tepels heeft).

4' dat voor volwassen runderen de dosis te groot moet zijn om voldoende werking te verkrijgen. Wel zal het misschien mogelijk zijn ook bij deze dieren, ingespoten met 7oo_ioco c.c. bloed, de sterfte in sommige gevallen te voorkomen, echter voorzoover onze experimenten gaan, is van een milder verloop der ziekteverschijnselen weinig met zekerheid te zeggen. Het wil mij voorkomen, dat daarvoor hoogwaardig immuunbloed of immuunserum moet aangewend worden.

De vraag rijst nu hoelang de onvatbaarheid der jonge dieren duurt. Reeds ,s uit enkele van bovengenoemde experimenten gebleken, dat na 5 weken de dieren

Sluiten