Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de deskundige vrijwel radeloos en werkeloos tegenover deze ramp, totdat in Juni het meergenoemde ,, Merkblatt" verscheen.

Hij heeft daarna geënt 1018 runderen, 16 geiten en 19 varkens, meerendeels met bloed. Bij kalveren spoot hij in 100 c.c. en bij zware koeien tot 400 c.c.

Van deze dieren stierven er nog, 18, waaronder meerdere met een chronisch lijden; dat hoogstwaarschijnlijk door de ziekte zeer ongunstig beïnvloed werd.

Ook Sauer wijst er op, hoe een vroegtijdige enting het geheim is voor het succes en een simultaanenting vóórdat de natuurlijke besmetting heeft plaats gehad, een gunstig verloop kan waarborgen.

Nog deelt hij mede dat hij van een aderlating, als de dieren 2—3 dagen ziek waren, meermalen een buitengewone uitwerking zag.

Ook hartmiddelen raadt hij aan, in het bijzonder atropine in een dosis tot 0.05 gr., waaromtrent ook FröHNER mededeelt, dat in alle gevallen van dreigende hart- en ademverlamming het atropine behoort tot de meest waardevolle excitantia.

De ingewandsstoornissen acht hij als naziekte er een, welke de grootste voorzichtigheid vereischt en vooral de medicamenteuze behandeling moet met veel overleg worden vastgesteld.

Het tijdstip waarop het bloed aan de herstelde dieren werd ontnomen was verschillend. Meestal 4-5 weken, indien mogelijk ook korter tot 2-3 weken. SAUER zag geen verschil in werking.

Hij besluit zijn artikel met de bekentenis, dat de Beiersche entingsmethode bij het mond- en klauwzeer niet slechts een schitterende aanwinst is voor het behoud van den veestapel, doch ook een ware uitkomst voor de veeartsen.

In een bericht aan den Minister van Landbouw over noodentingen tegen mond- en klauwzeer in de praktijk en over proeven met kleine doses Loefflerserum in de „Kreise Husum" met omgeving, schrijft K. Schern, dat na het bekend worden der berichten over de goede resultaten der entingen in Beieren (ernst e.a.) de veterinaire afdeeling van het Pruisisch Landbouwministerie na bestudeering van de techniek in Beieren, deze is gaan toepassen.

Dezelfde techniek als in Beieren is gevolgd geworden, in zooverre behalve de subcutane, ook de intraperitoneale inspuiting met succes werd aangewend.

Gezond schijnende dieren werden behalve met serum ook met virus behandeld.

Ook Schern wijst op het nut van temperatuuropnamen ter onderkenning van alle dieren, welke nog gezond zijn of reeds in het incubatietijdperk verkeeren.

Er werden ingespoten 1016 gezonde dieren en 247 zieke; 3.2 % der ziek geënte is gestorven, van de 1016 gezond geënte geen enkel dier.

Vooral de zieke kalveren weerstaan na de enting de ziekte zeer goed.

De cijfers demonstreeren duidelijk het nut van de contróle of de dieren vóór de inspuiting al of niet ziek zijn. Doet men dit niet, dan zullen vele schijnbaar gezonde, doch inderdaad reeds in het incubatietijdperk verkeerende dieren als gezond

Sluiten