Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B. BRUINS heeft meer dan iooo entingen verricht. Bij runderen tot 500 cc, kalveren tot 100 c.c. bloed, ook met serum.

Hij komt tot de conclusie, dat entingen bij koeien geen resultaat hebben, bij kalveren in een koppel waar de ziekte reeds heerscht, gedeeltelijk succes hebben, daar er nog vele sterven in de eerste dagen, daarentegen bij gezonde kalveren met volkomen succes, mits de besmetting spoedig volgt.

J. van DER Veen te Roden schrijft, dat hij reeds in Augustus 1919 met de inspuiting is begonnen, doch met weinig bevredigend resultaat, hetgeen waarschijnlijk was toe te schrijven aan de omstandigheid, dat hij bloed van telang genezen dieren gebruikte.

In Juli 1920 heeft hij de enting voortgezet en gebruikte toen bloed van runderen, waarbij de ziekte 11—12 dagen had bestaan.

Hij behandelde 301 kalveren, 212 volwassen runderen, 227 varkens (waarvan 170 biggen), 6 schapen en 4 geiten.

Hij kwam door kleine proefnemingen tot de vaste overtuiging, dat het zoowel bij biggen als bij kalveren, gunstig werkte.

De dosis voor zesweeksche biggen bepaalde hij op 10—20 c.c. gedefibrineerd bloed, kalveren van 40—60 cc, waarna hij opmerkt dat 70% der zoo behandelde dieren niet ziek werd.

Ook bij volwassen runderen zag hij merkbaar resultaat. Wanneer hij dieren inspoot, welke verkeerden in het incubatietijdperk, dan zag hij meermalen, dat 380—420 c.c. bloed voldoende was om de dieren gezond te doen blijven.

In meerdere gevallen werd bij volwassen dieren geen succes verkregen.

VAN der VEEN schrijft dit toe aan het feit, dat met de melk de antistoffen te spoedig worden uitgescheiden.

Hij maakt bovendien de opmerking, dat de werking van het bloed zeer verschillend is. Zoo zag hij meermalen bij een dosis van 140 c.c. bloed veel beter werking dan van de dubbele dosis, een ondervinding, welke van verschillende zijden is opgedaan.

Tenslotte vinden we van den districts-veearts K. de VlNK in het Decembernummer 1920 een critische bijdrage omtrent de waarde van de inspuitingen, in hoofdzaak bij kalveren verricht.

Hij heeft daartoe gebruikt materiaal, hem door collega P. DE BOER te Schagen verschaft, betreffende inspuiting bij 1196 kalveren, 182 pinken, 630 koeien en de resultaten vergeleken met het verloop der ziekte, waar niet behandeld werd en m dezelfde streek.

Elk kalf werd 50 c.c. bloed, elke pink 75 c.c. en elke koe 160 cc ingespoten.

Slechts daar, waar de ziekte pas was uitgebroken, werd behandeld.

De volgende staatjes geven de uitkomst van dit vergelijkend onderzoek aan.

Sluiten