Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was op den I2en Februari nog koortsvrij, 's Namiddags om 5 uur werd het 2 gram Trypaflavine ingespoten, terwijl de temperatuur eerst den volgenden morgen om 3 uur begon te stijgen. De koortslijn was in het verloop der volgende uren aldus: 38.9, 39-5, 39-9, 404 (3 uren), 40.4, 40.3/40.2, 39.8, 38.7, 39, 38.8, om daarna niet meer boven de 39 graden te komen. Op de tong waren zeer weinig erupties te zien, aan de onderlip echter kwam een zeer uitgebreid defect voor. Het dier was bovendien van de groote dosis van het preparaat ernstig ziek. Het herstelde zich echter gaandeweg. Ook nu dus nog geen afbreken der ziekte.

PROEF VII.

Ten slotte zij in deze reeks nog vermeld een geval, waarvan men den indruk kreeg, dat het preparaat, ingespoten nadat de ziekte haar hoogtepunt had bereikt, een gunstige uitwerking had.

Nadat rund No. 94 twee dagen koorts had vertoond tot 41.1, zakte de temperatuur na inspuiting op 38.9 binnen 5 uur en kwam daarna niet meer boven 39.2, terwijl het dier opvallend goeden eetlust vertoonde ondanks het feit, dat de tong voor ruim de helft bedekt was met een exsudatieve membraan, als gevolg van de aphtheuze ontsteking. Doch latere ervaringen hebben aan de gunstige beoordeeling van dit geval weinig steun gegeven.

Uit bovenstaande reeks van proeven trad naar voren, dat Trypaflavine weinig invloed had op het ziekteverloop, in de eerste plaats wat betreft de koortscurve. Verrassend mag worden genoemd de wijze, waarop de temperatuur zeer kort na de toediening tot het normale werd teruggebracht. Indien geen enkele andere gunstige uitwerking was waargenomen, dan zou het als een antipyreticum beteekenis kunnen hebben, wellicht ook een invloed op het virus zelf uitoefenen, doch zonder eenig practisch effect.

PROEF vni.

Proefdier No. 110 gaf ons aanleiding het middel nog niet geheel te verwerpen. Bij dit dier meenden we eenigen invloed van het preparaat te hebben mogen constateeren op de blaarvorming en hoewel de overige gevallen weinig ten gunste van het Trypaflavine hadden gesproken, besloten we het onderzoek nog niet te staken en het middel alsnog toe te passen bij vee op een boerderij. Waar de doseering bij enkele kalveren blijkbaar te hoog was geweest in zooverre toxische verschijnselen waren opgetreden, werd een overeenkomst met twee veehouders aangegaan, dat eventueele schade hun vee aangebracht, zou worden vergoed, terwijl met de doseering de noodige voorzichtigheid werd betracht. Daar de pinken 1 gram blijkbaar konden verdragen zonder ernstige gevolgen, besloten we aan het groote vee deze dosis toe te dienen. Bij den eenen veehouder J. S. te P. was de ziekte reeds aanwezig; er febriciteerden reeds 9 stuks van de 21 aanwezige dieren; deze

Sluiten