Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Half Februari in aanraking gebracht met hevig aan mond- en klauwzeer lijdend vee, werd het ziek.

De mogelijkheid of op 23 Januari sprake was van een zekeren graad van immuniteit, valt niet gemakkelijk te beslissen.

Het virus nam in het najaar en den winter van 1919—1920 zeer in kracht af en zoo dienden dus de uitkomsten met de noodige voorzichtigheid beoordeeld te worden.

Wanneer we nu nog trachten uit deze proeven, verricht met sera van drie verschillende dieren, afkomstig echter van een en denzelfden stam, welke in Mei 1919 van een veehouderij om Utrecht op een pink werden overgebracht en den S*m Januari 1920 voor de laatste maal werden gebruikt, iets te besluiten naar aanleiding van de wijziging in virulentie door passage en het bewaren van het virus onder paraffine-olie, dan moge hier alsnog een kort overzicht van de wijze van passage etc. voorafgaan. In onderstaanden tabel zijn deze gegevens verzameld.

Kalf No. 13 werd den 2l»'en Mei 1919 intraveneus geënt met lymphe van één dag oud en werd na een incubatietijdperk van 2# dag typisch ziek.

Pink No. 54 kreeg 4 maanden daarna 35 c.c. gedefibrineerd bloed van No. 13 intraveneus en vertoonde na 2 dagen en 20 uur koorts; den volgenden dag werden blaren in den mond en aan de klauwen zichtbaar. Van de één dag oude lymphe van dit dier werd pink No. 57 i/io cc. ingespoten. Het dier reageerde na 20 uur thermisch en met blaren. Na 8 dagen stierf het aan de bekende myocarditis.

Het serum van dit dier, getapt op den eersten top van de koortslijn, werd na ± 4 dagen gebruikt voor de eerste virulentieproef (zie hierboven Serie I).

Het bleek, dat het versche serum in dosis van 10 c.c. ingespoten, in staat was na 40 uur hooge temperatuur en algemeene blaarvorming op te wekken. Toen het serum 18 dagen oud was, reageerden ook 5 dieren o.a. No. 68 van serie II van voornoemde proef na 45 uur op dezelfde wijze.

Van No. 68, dat ingespoten met 10 c.c serum van No. 57, een incubatietijdperk van 54 uur had vertoond, terwijl het overigens ziek werd als al de andere dieren, werd na 5 dagen het serum bij pink No. 74 gebruikt in een dosis van 25 cc, met het gevolg dat een typisch ziektebeeld werd opgewekt.

Het serum van No. 74 werd, toen het 11 dagen oud was, gebruikt voor serie III; het serum was verhit gedurende 22 üren bij 3 7°.

De dieren reageerden na tijdperken, varieerende tusschen 56 en 66 uur. Verzwakking, noch door bewaring tot 11 dagen, noch door verwarming tot 22 uren had hierbij dus plaats gevonden. '

Dit serum werd eveneens voor serie IV der proef gebruikt, n.1. onverhit toen het 37 dagen oud was (pink 91) en na verhitting, toen het 42 dagen oud was.

Het incubatietijdperk duurde reeds langer, terwijl evenals bij de pinken van

Sluiten