Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De cotillon-patience. No. 34.

(Met twee whistspellen.)

Men neemt vooreerst uit de vereenigde spellen alle vijven en alle zessen en legt ze in een kring op tafel, en wel zoodanig, dat er afwisselend twee zwarte en twee roode kaarten gelegd zijn; b.v. met klaverenvijf begonnen zijnde, volgt dan rechts klaverenzes, vervolgens hartenvijf, hartenzes, schoppenvijf, schoppenzes, hartenvijf, hartenzes, klaverenvijf, klaverenzes, ruitenvijf, ruitenzes, schoppenvijf, schoppenzes, ruitenvijf, ruitenzes; de kring bestaat dus uit zestien kaarten.

Nu worden van het overige, goed dooreengeschudde spel de kaarten een voor een afgenomen en in het midden van den kring op een talon gelegd. Zijn er onder de afgenomen wordende kaarten, kaarten van gelijke kleur, die op de vijven in dalende en op de zessen in klimmende reeks passen, dan worden zij dadelijk opgelegd, b.v. op hartenzes, hartenzeven, acht, enz. Op de vijf echter de vier, drie, enz., zoodat de zessen met de vrouw, de vijven met den heer sluiten. De talon mag slechts drie maal doorgenomen worden.

'De goede Louise of het paaschbloempje. No. 35. (Met twee whistspellen.)

Nadat de beide vereenigde spellen geschud en gecoupeerd zijn, worden de kaarten een voor een afgenomen en vooreerst vier en vijftig kaarten in zes horizontale rijen, ieder van negen kaarten, van de linker- naar de rechterzijde open voor zich op tafel gelegd. Nu zij de speler er op bedacht, dat slechts de buitenste kaarten aan beide zijden vrij en beschikbaar zijn, dus ook die

Patience's I. 4

Sluiten